Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.4.4:4.3.4.4.4 Tot slot
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.4.4
4.3.4.4.4 Tot slot
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496623:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierna in paragraaf 4.3.4.5.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande volgt dat factoring geen vastomlijnde betekenis kent en voor btw-doeleinden lastig te duiden is. In de meeste (voor dit onderzoek relevant zijnde) verschijningsvormen is het de factor die vorderingen overneemt en int. In die gevallen ging onder art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) het recht op teruggaaf niet mee over: het bleef achter bij de leverancier. Om de praktijk tegemoet te komen zorgde het factoorbesluit ervoor dat de Belastingdienst de btw op verzoek wel aan de factor uitbetaalde. De nieuwe indeplaatstredingsregeling maakt dat deze goedkeuring niet langer nodig is. De factor verkrijgt daarmee een zelfstandige aanspraak op de Belastingdienst. In de praktijk zullen de gevallen die onder het factoorsbesluit vielen thans vaak onder het wettelijke regime vallen. In theorie is het echter denkbaar dat bepaalde gevallen tussen wal en schip geraken. Tot slot nog een punt van praktische aard. Eén van de verschillen tussen de oude en nieuwe regeling is dat de oude regeling, in tegenstelling tot de indeplaatstredingsregeling (het recht op teruggaaf komt op grond van art. 29 lid 6 Wet OB 1968 verplicht bij de overnemer te berusten), facultatief van aard is. Dit verschil kan grote gevolgen hebben voor overeenkomsten op grond waarvan vorderingen doorlopend (toekomstig bij voorbaat)1 worden overgedragen en waarbij geen rekening is gehouden een indeplaatstreding.
Voorbeeld 4.7
Ondernemer A sluit met factor B een overeenkomst, op grond waarvan vorderingen doorlopend worden overgenomen. Partijen zijn een prijs voor de vorderingen overeengekomen die gelijk is aan 80% van de nominale waarde van de vorderingen. Er zijn geen afspraken gemaakt over een beroep op het factoorsbesluit. Eén van de schuldenaren gaat vervolgens (binnen de éénjaarstermijn) failliet, waarbij moet worden aangenomen dat de vorderingen op hem oninbaar zijn. De vorderingen hadden een nominale waarde van 1.200 (1.000 + 200 btw, bij een btw-tarief van 20%).
Indien de betreffende vorderingen vóór 1 januari 2017 zijn overgenomen, dan is het verlies van B (en daarmee de opbrengst van A) op de vorderingen gelijk aan 960 (80% van 1.200). Indien de vorderingen zouden zijn overgedragen ná 31 december 2016, dan zou de het verlies van B (en de opbrengst van A) 760 (960 -/- 200) bedragen. Immers: in dit laatste geval treedt B voor het recht op teruggaaf in de plaats van A. Ik acht dit (onvoorziene) effect voor doorlopende overeenkomsten ongewenst. Een overgangsregeling had deze ongelijkheid kunnen oplossen.