Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.5
4.3.5 Wijze effectueren recht op teruggaaf
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495717:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Een teruggaaf op grond van art. 29 lid 1 Wet OB 1968 kon op grond van een goedkeuring evenwel eigenmachtig op de btw-aangifte in mindering worden gebracht (Resolutie nr. 580-6983 van de staatssecretaris van Financiën van 9 mei 1980 betreffende de teruggaaf van BTW bij prijsvermindering ex art. 29 lid 1 Wet OB 1968, V-N 1980/1084, 2).
Het duurt doorgaans minder lang om een teruggaaf via de reguliere aangifte te realiseren dan via een afzonderlijk verzoek, zodat ondernemers eerder over de teruggaaf kunnen beschikken. Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 10 (MvT).
Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. E, p. 67-68 (MvA).
Zie bijvoorbeeld onderdeel 4 van het commentaar van de NOB op de internetconsultatie. Zie ook Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 11-12 (MvT). Aangezien mijn kennis van de inrichting van administratieve systemen bij ondernemers die vorderingen overnemen uiterst beperkt is, kan ik hierover geen waardeoordeel geven en neem ik dit als een gegeven aan.
De vraag naar de wijze waarop het recht op teruggaaf moet worden geëffectueerd vergt bijzondere aandacht. Art. 29 lid 4 Wet OB 1968 schrijft voor dat het bedrag van de teruggaaf in mindering wordt gebracht in de aangifte voor het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Wordt de vergoeding na het ontstaan van het recht op teruggaaf (ex art. 29 lid 1 en 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017)) alsnog ontvangen, dan bepaalt art. 29 lid 5 Wet OB 1968 dat de opnieuw verschuldigde btw overeenkomstig het bepaalde in art. 14 lid 1 Wet OB 1968 op aangifte moet worden voldaan. De aangifte vormt daarmee dus het middel waarmee de rechten en verplichtingen uit art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017) moeten worden geformaliseerd. Een uitzondering geldt voor overgedragen vorderingen. Op grond van de op één na laatste volzin van art. 29 lid 6 Wet OB 1968 wordt de teruggaaf aan de overnemer van de vordering in afwijking van lid 4 op verzoek verleend. Blijkens de laatste volzin moet een eventuele terugbetalingsverplichting wel weer op aangifte worden voldaan. Art. 29 lid 10 Wet OB 1968 bepaalt tot slot dat het verzoek om teruggaaf ex art. 29 lid 6 Wet OB 1968 voor elke oninbare vordering afzonderlijk bij de inspecteur moet worden ingediend.
Ook hier moet de ratio van de bepaling worden gevonden in het verder vereenvoudigen van de regeling. Onder het oude recht werd namelijk als eis gesteld dat het recht op teruggaaf ex art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 (tot 2017) enkel bij afzonderlijk verzoek kon worden geëffectueerd,1 hetgeen door het bedrijfsleven én de Belastingdienst als een onnodig zware last werd ervaren. Door voor te schrijven dat het bedrag van de teruggaaf thans simpelweg in mindering kan worden gebracht op de periodieke aangifte is de wetgever aan dit bezwaar tegemoetgekomen. Daarnaast zorgt de maatregel ervoor dat de financieringslasten van het bedrijfsleven worden teruggedrongen.2 Het was aanvankelijk de bedoeling dat het recht op teruggaaf in alle situaties via de periode aangifte zou moeten worden geëffectueerd,3 dus ook in geval van overgenomen vorderingen, maar op verzoek van het bedrijfsleven heeft de wetgever daarvan afgezien. Ook de Belastingdienst had bij het aanvankelijke voorstel aarzelingen. Het verplicht verwerken van de teruggaaf in de aangifte zou voor deze groep ondernemers juist een onevenredige lastendruk met zich brengen.4
Hierna ga ik dieper in op de formele aspecten van de regeling. Voor een goed begrip sta ik eerst stil bij de wijze waarop het recht op teruggaaf onder art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) moest worden geëffectueerd (paragraaf 4.3.5.1). Vervolgens ga ik in op de wijze waarop de btw wegens oninbare vorderingen onder het huidige recht moet worden teruggevraagd (paragraaf 4.3.5.2). Ik maak daarbij een onderscheid tussen de reguliere situatie, waarbij de vordering bij de leverancier rust, en de situatie waarin vorderingen zijn overgenomen. In paragraaf 4.3.5.3 behandel ik de wijze waarop het recht op teruggaaf bij een betaling achteraf moet worden herzien. In paragraaf 4.3.5.3 ga ik in op de vraag in hoeverre de nieuwe regeling strookt met het Unierecht. Daarna bespreek ik de verhouding tot het rechtskarakter (paragraaf 4.3.5.5). Ik sluit deze paragraaf af met een conclusie (paragraaf 4.3.5.6).
4.3.5.1 Verzoek om teruggaaf tot 20174.3.5.2 Verzoek om teruggaaf vanaf 20174.3.5.3 Wijze waarop het recht op teruggaaf moet worden herzien4.3.5.4 Verhouding tot het Unierecht4.3.5.5 Verhouding tot het rechtskarakter4.3.5.6 Slotsom