Instellingen voor collectieve belegging in effecten
Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/4.2.4:4.2.4 Risicospreiding
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/4.2.4
4.2.4 Risicospreiding
Documentgegevens:
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193541:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De instelling moet beleggen in de hiervoor beschreven activa met ‘toepassing van het beginsel van risicospreiding’. Instellingen die al hun vermogen in dezelfde uitgevende instelling beleggen, voldoen dus niet aan de definitie van een icbe. In de Icbe-Richtlijn zijn risicospreidingslimieten opgenomen.1 Al vanaf het eerste voorstel voor een Icbe-Richtlijn was er sprake van dergelijke beleggingslimieten.2 Voornaamste doel van de limieten is het beschermen van de deelnemers tegen excessieve beleggingsrisico’s. De beleggingslimieten zijn uiterste bandbreedtes waar de beleggingen van de icbe aan moeten voldoen. Aan de beleggingslimieten is paragraaf 4.5.3 gewijd, daarom wordt er op deze plaats verder niet op ingegaan.
Volgens Zetzsche dient het risicospreidingsvereiste in dit artikel echter opgevat te worden naar de economische merites en niet uitsluitend als verwijzing naar de spreidingsvereisten in de Richtlijn.3 Dat betekent dat er ten eerste risico gelopen dient te worden en ten tweede dat dit risico gespreid moet worden. In theorie kan een instelling wel aan de spreidingsregels voldoen maar zijn economische risico toch niet spreiden. Dit kan bijvoorbeeld door in 20 effecten te beleggen die allemaal blootgesteld zijn aan exact hetzelfde risico. Een instelling die geen risico bevat of het risico niet daadwerkelijk spreidt, kwalificeert zijns inziens niet als icbe. Ik zie geen steun voor deze benadering in de Richtlijn en ook niet in het rapport-Van Damme. Van Damme verwijst in zijn behandeling van dit vereiste direct naar de spreidingsvereisten.4
In artikel 3 van de Richtlijn zijn instellingen waarvoor de beleggingslimieten en de beperkingen ten aanzien van het aangaan van leningen niet geschikt zijn, expliciet uitgesloten van de Richtlijn.5 In de Richtlijn is bepaald dat deze instellingen moeten zijn aangewezen in een nationale wet. Als een instelling dus wel aan het beginsel van risicospreiding voldoet maar de beleggingslimieten ongeschikt zijn gezien het beleggingsbeleid van de instelling, kan het geen icbe zijn. Of de beleggingslimieten ongeschikt zijn, zal blijken uit de documentatie van de beleggingsinstelling. Elke lidstaat kan anders omgaan met de invulling van deze bepaling. In Ierland is aan deze bepaling geen invulling gegeven. In Nederland is dit vereiste wel geïmplementeerd, maar is slechts bepaald dat het ingevolge de Wft bepaalde ten aanzien van icbe’s niet van toepassing is op ‘icbe’s die op grond van hun statuten of fondsreglementen leningen aan mogen gaan boven het door de Richtlijn (…) gestelde maximum en beleggingen mogen voeren dat ruimer is dan de uit de Richtlijn (…) voorvloeiende beperkingen’.6 In Luxemburg is dit strikter geïmplementeerd. De CSSF heeft aangegeven wanneer een beleggingsinstelling op grond van het beleggingsbeleid buiten het icbe-regime valt.7 Het beleggingsbeleid moet dan ver afstaan van de icbe-restricties. Een icbe mag op grond van de Icbe-Richtlijn bijvoorbeeld maximaal 10% lenen. Pas als een instelling meer dan 25% mag lenen, valt deze beleggingsinstelling volgens de CSSF buiten het icbe-regime. Dit betekent dat als een Luxemburgse beleggingsinstelling 15% wil kunnen lenen en aan alle bepalingen van de icbe-definitie voldoet, zij onder de icbe-regelgeving valt. Daarin is bepaald dat een icbe slechts 10% mag lenen. Het is zodoende niet mogelijk in Luxemburg om een beleggingsinstelling op te starten die aan de icbe-definitie voldoet maar wel 15% wil kunnen lenen. Gegeven de Nederlandse implementatie kan dit dus wel. Op grond van de Wft zou een beleggingsinstelling al buiten het icbe-regime vallen als zij 11% mag lenen.
Feeder-icbe’s zijn uitgezonderd van dit spreidingsvereiste.8 Zij mogen tussen de 85% en 100% van hun activa beleggen in de deelnemingsrechten van één (master-)icbe. In paragraaf 4.3.1 is de feeder-icbe beschreven.