Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/8.2.3.b
8.2.3.b Alleen prioriteitsaandelen
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS601109:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 2 mei 2002, JOR 2002/156 en HR 16 januari 2004, NJ 2004/184; JOR 2004/35 (Fres-Co System). Hierover o.a. Leijten (2003), p. 62-65; Slagter (2004), p. 596-597; Norbruis (2005), p. 5456; Slagter (2005), p. 616-617.
Deze bepaling heeft als doel te bewerkstelligen dat het beleid met betrekking tot Fres-Co System door de twee aandeelhouders gezamenlijk en in goede harmonie wordt bepaald, zie OK 2 mei 2002 (ro. 2.8), JOR 2002/156 (Fres-Co System). Uitgebreid over de achtergrond van deze zaak Leijten (2003), p. 62-65; Norbruis (2005), p. 54-56.
OK 2 mei 2002 (ro. 3.3-3.6), JOR 2002/156 (Fres-Co System).
HR 16 januari 2004 (ro. 3.4-3.5), NJ 2004/184; JOR 2004/35 (Fres-Co System).
Aldus ook de annotatoren Maeijer (onder NJ 2004/184) en Josephus Jitta (onder JOR 2004/35); Norbruis (2005), p. 55.
In de uitkoopprocedure inzake Fres-Co System, beter bekend als Goglio, doet de vraag zich voor of behalve prioriteitsaandeelhouders ook houders van andere aandelen met (de facto) bijzondere zeggenschapsrechten in de vennootschap een beroep kunnen doen op deze afwijzingsgrond.1 De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.
De statuten van de vennootschap in deze zaak bepalen dat besluiten slechts met volstrekte eenstemmigheid genomen kunnen worden.2 De gedaagde minderheidsaandeelhouder (met een kapitaalbelang van 2%) stelt zich op het standpunt dat hij houder is van aandelen waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden. Hij heeft de facto een vetorecht, omdat de statuten eenstemmigheid voor het nemen van de besluiten vereisen. De OK stelt de minderheid in het gelijk en wijst de vordering tot uitkoop af. In de tekst van de wet is volgens haar geen steun te vinden voor een beperkte uitleg dat de afwijzingsgrond slechts ziet op prioriteitsaandelen. Bovendien verliest een dergelijke uitleg uit het oog dat het vereiste van eenstemmigheid in de statuten, de uitgifte van prioriteitsaandelen overbodig maakt, aldus de OK.3
De Hoge Raad ziet echter geen ruimte voor de extensieve interpretatie van de OK en vernietigt de uitspraak:
“Gelet op de aard en de strekking van deze regeling moeten deze afwijzingsgronden beperkt worden uitgelegd. In het bijzonder bieden zij de rechter in beginsel ook geen ruimte voor een belangenafweging.
Uit de geschiedenis […] blijkt dat de wetgever de in het vierde lid van dit artikel vervatte afwijzingsgrond dat “een gedaagde houder is van een aandeel waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden” heeft opgenomen in het bijzonder met het oog op de positie van houders van prioriteitsaandelen. Mede in verband met hetgeen hiervoor […] is overwogen, moet deze afwijzingsgrond in strikte zin worden opgevat in dier voege dat op deze grond slechts een beroep kan worden gedaan door een houder van aandelen van een bepaalde soort waaraan de statuten bijzondere rechten verbinden inzake de zeggenschap in de vennootschap.”4
De Hoge Raad legt de afwijzingsgrond aldus uit dat beslissend is of aan de door de gedaagde gehouden aandelen een bijzonder zeggenschapsrecht is verbonden en dus niet of de gedaagde door andere omstandigheden bijzondere zeggenschap binnen de vennootschap heeft. Deze uitleg acht ik gezien de letter van de wet en de parlementaire geschiedenis juist.5 De uitkomst van de zaak is naar mijn mening daarentegen minder bevredigend. De OK had de vordering moeten afwijzen wegens misbruik van bevoegdheid, dan wel op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (§ 8.4).