Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.6.3.2
3.6.3.2 De plaats van artikel 4:135 lid 1 BW in titel 4.5 BW
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232331:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Jong 1951, p. 108.
HR 2 februari 1894, W. 6462; HR 12 juni 1896, W. 6823. In 8.2 kom ik hierop terug omdat dit standpunt van de Hoge Raad verregaande gevolgen had voor de heffing van successierecht van een bij dode opgerichte stichting.
HR 20 november 1896, W. 6889 (Stichting op Toutenburg). De Hoge Raad heeft in latere jurisprudentie dit standpunt herhaald, genoemd kan worden HR 11 december 1914, NJ 1915/p. 238 (Fonds Jan de Koning). De Jong 1951, p. 112, is van mening dat de stichting op een bijzondere wijze onder algemene titel verkrijgt.
Artikel 946 (oud) BW luidde destijds: ‘1. Om uit krachte van eenen uitersten wil iets te kunnen genieten, moet men bestaan op het oogenblik van den dood des erflaters met inachtneming van den regel bij artikel 3 van dit Wetboek vastgesteld 2. Deze bepaling is niet van toepasselijk op personen, die geroepen zijn om uit stichtingen genot te trekken.’
HR 12 juni 1896, W. 6823 en HR 20 november 1896, W. 6889 (Stichting op Toutenburg). Zie hierover ook 8.2 bij de bespreking van de gevolgen van dit oordeel voor de erfbelasting.
De Jong 1951, p. 111.
A.J.M. Kraft, De privaatrechtelijke rechtspersonen naar Nederlandsch recht, Leiden: Handelswetenschappelijke Bibliotheek z.j. [1938], p. 154-155.
Bregstein 1955, p. 576-577.
De Jong 1951, p. 112. Minister Van Oven deelt deze mening als hij in de Memorie van Antwoord I bij de Wet op stichtingen naar aanleiding van het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest opmerkt dat de Hoge Raad zijn eerdere oordeel dat een bij uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting niet voldeed aan de bestaanseis verwierp, Kamerstukken I, 1955-1956, 3463, nr. 100b, p. 4. Anders dan Burgerhart meen ik dat sinds het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest geen problemen meer bestaan met de bestaanseis en dat artikel 4:135 lid 1 BW daardoor niet kan worden beschouwd als een uitzondering op de bestaanseis, W. Burgerhart, ‘Een stichting als erflaters laatste wil’, SV&V 2002/1. Vgl. ook Burgerhart 2004, noot 75, p. 39 en ‘De postmortale stichting; blijft onbekend ook onbemind?’, EstateTip Review 2017/40.
HR 11 maart 1932, NJ 1932/p. 698, m.nt. E.M. Meijers (Paul Tétar van Elvenfonds); Asser/Meijers 4 1941/p. 17. De Jong 1951, ziet net als eerder Meijers en later Bregstein, dogmatische gronden ten aanzien van het oordeel van de Hoge Raad over de aard van de stichting. Deze gronden zijn daarin gelegen, dat de Hoge Raad het vermogen als het substraat van de stichting ziet, de stichting als gepersonifieerd doelvermogen.Hardenberg 2000, onder verwijzing naar HR 12 juni 1896, W. 6823 en HR 20 november 1896, W. 6889 (Stichting op Toutenburg), is van mening dat Meijers bij zijn kritiek op de Hoge Raad over het hoofd ziet dat de bevoegdheid tot het oprichten van een stichting bij uiterste wilsbeschikking voortvloeit uit het gewoonterecht. Dit heeft tot gevolg dat de bij uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting weliswaar geen erfgenaam is, maar wel gerechtigd wordt tot de nalatenschap en aansprakelijk is voor de schulden. Daarvoor is het volgens Hardenberg niet nodig dat de stichting erfgenaam is.
Toelichting Meijers, p. 345. Artikel 4.4.4.1 OM, is materieel gelijk aan het huidige artikel 4:135 BW. Het verband tussen het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest en artikel 4:135 BW wordt ook expliciet gelegd door W.G. Huijgen e.a., Compendium erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018/179.Meijers heeft ook op andere gebieden de leer van de Hoge Raad ‘gecorrigeerd’. Een bekend voorbeeld is het verbod op fiduciaire eigendom uit artikel 3:84 lid 3 BW, dat voortvloeit uit zijn verzet tegen HR 25 januari 1929, NJ 1929/p. 616, m.nt. P. Scholten (Bierbrouwerij). Zie over dit arrest en de bezwaren van Meijers, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/567.
Polak 1956, p. 106.
Minister Van Oven nam daarmee afstand van de visie van zijn ambtsvoorganger Donker. Omdat minister Donker de kwalificatie van de verkrijging door de stichting wilde overlaten aan de rechtspraak, kreeg artikel 5 Wos zijn redactie waarin de verkrijging van de gehele nalatenschap of een evenredig deel daarvan werd bestempeld als een verkrijging onder algemene titel. In andere gevallen was levering vereist, Handelingen I 1955-1956, p. 2358.
Waarom is een bepaling als artikel 4:135 lid 1 BW eigenlijk in de wet opgenomen? Het antwoord op die vraag hangt nauw samen met de strijd tussen voorvechters van de hiervoor in 3.6.3 besproken theorie dat oprichting en begunstiging één onsplitsbare rechtshandeling is en die van de leer dat dit twee afzonderlijke rechtshandeling vormen. Gebleken is dat als oprichting en vermogensafzondering één onsplitsbare rechtshandeling is, het vermogen van de erflater dat zojuist is aangewend voor de oprichting van een stichting, niet gelijktijdig kan vererven. Als de rechtshandeling van oprichting in twee delen kan worden gesplitst, zou dat wel kunnen. Dit blijkt ook uit de situatie in Duitsland waar, net als destijds in Nederland, een onverbrekelijke koppeling tussen oprichting en vermogensafzondering bestaat, maar tegelijkertijd de Theorie der Zweiaktigkeit de heersende leer is, zoals bleek uit 2.3.2.5. Deze vermogensverschaffing kan plaatsvinden bij Verfügungen von Todes wegen, waarover ik schreef in 2.3.2.1.
Zoals hiervoor in 3.6.3 al gezegd, werd de strijd tussen de twee leren in Nederland vooral gevoerd tussen Van den Biesen en Besier. Besier is de verdediger van de leer van de twee afzonderlijke rechtshandelingen. Van den Biesen is de advocaat van de leer dat oprichting en making één rechtshandeling is (variant a: de onsplitsbare rechtshandeling).
Welke leer de Hoge Raad van toepassing achtte was niet duidelijk. De Jong noemt als reden daarvoor dat tot de jaren negentig van de negentiende eeuw niet de vraag werd gesteld hóe een stichting bij dode kon worden opgericht, maar óf dat kon. Of oprichting bij uiterste wil mogelijk was, werd veelal afhankelijk gesteld van de vraag of was voldaan aan de bestaanseis uit artikel 946 lid 1 (oud) BW.1 Ten aanzien van deze vraag oordeelde de Hoge Raad dat een bij dode opgerichte stichting ten tijde van het overlijden van de erflater nog niet bestaat en daarom geen erfgenaam kon zijn.2 In 1896 sprak de Hoge Raad zich uit over die andere vraag, de vraag hóe een stichting wordt opgericht:
‘O. echter, dat deze onderscheiding tusschen het scheppen van een rechtspersoon en het aanwijzen van goederen om dien rechtspersoon te doen werken, niet is aannemelijk, daar alleen door eene wilsverklaring geen rechtspersoon ̶ zelfs geen onzichtbaar wezen ̶ in het leven wordt geroepenen, doch de oprichting van eene stichting bij eene uiterste wilsbeschikking slechts kan geschieden door de aanwijzing van zekere goederen voor eene bepaalde bestemming;
O. dat dusdanige stichting dan ook niet bestaat op het oogenblik van den dood des erflaters, doch op het oogenblik dat diens uiterste wilsbeschikking door den dood bekrachtigd wordt, ontstaat, zoodat bij die uiterste wilsbeschikking aan die stichting niet wordt vermaakt wat tot haar wezen behoort en waarmede zij in het leven treedt’.3
De Hoge Raad aanvaardde in dit arrest de leer van Van den Biesen. Ook handhaafde de Hoge Raad in dit arrest zijn oordeel dat de bij uiterste wilsbeschikking in het leven geroepen stichting nog niet bestaat bij het overlijden van de erflater.
Een volgende stap zette de Hoge Raad in het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest uit 1932, al genoemd in 3.6.3.1. Bij uiterste wilsbeschikking had de weduwe van Paul Tétar van Elven een bedrag van ƒ 50.000 van haar vermogen afgezonderd en bestemd voor het in het leven roepen van de stichting Paul Tétar van Elvenfonds en voorts haar restant vermogen voor het in het leven roepen van de stichting Museum Paul Tétar van Elven.
De stichting Museum Paul Tétar van Elven weigert vervolgens het bedrag van ƒ 50.000 af te dragen aan de stichting Paul Tétar van Elvenfonds omdat (i) deze stichting ten tijde van het overlijden nog niet zou bestaan en daardoor niet zou voldoen aan de bestaanseis uit artikel 946 (oud) BW en (ii) omdat een stichting niet zou kunnen worden opgericht door het afzonderen van een geldbedrag uit de nalatenschap van de erflater.
De Hoge Raad oordeelde in het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest dat een stichting in het leven wordt geroepen:
‘door de daad van hem, die vermogen afzondert voor zeker doel, met bepaling van de wijze waarop de stichting tot bereiking van dat doel werkzaam zal zijn;
dat ingeval van oprichting van de stichting bij testament, de afscheiding van vermogen kan bestaan in de aanwijzing van de nalatenschap of van bestanddeelen daarvan, zoodat dan de stichting door de aanwijzing den eigendom verkrijgt van de voor haar bestemde goederen, maar de afscheiding even goed – gelijk in het onderhavig geval – hierin kan bestaan, dat de testateur den uit het testament gerechtigden beveelt om aan de stichting uit zijn nalatenschap een geldsom te verschaffen.’
De Hoge Raad oordeelde in dit arrest voorts dat uit artikel 946 lid 2 (oud) BW volgt dat artikel 946 lid 1 (oud) BW niet
‘in den weg kan staan aan de rechtsverkrijging, die ligt in zoodanige beschikking over of ten aanzien van een nalatenschap, als waarin de oprichting bij testament van een stichting bestaat.’4
Hiermee week de Hoge Raad duidelijk af van oudere jurisprudentie waarin het argument voor het niet kunnen erven gestoeld was op de gedachte dat niet werd voldaan aan de bestaanseis uit artikel 946 (oud) BW.5 In het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest baseert de Hoge Raad zijn oordeel niet langer op niet voldoen aan de bestaanseis om de verkrijging als making af te wijzen, maar op het eigen karakter van de stichting als uiterste wilsbeschikking.6 De Hoge Raad wijst het cassatieberoep dan ook af.
De vraag of de bij uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting bij het overlijden van de erflater bestaat, laat de Hoge Raad volgens Meijers in zijn noot onder het arrest onbeantwoord. Ook Kraft merkt dit op. Hij schrijft dat de Hoge Raad zich met een omweg afmaakt van de vraag of de bij dode opgerichte stichting voldoet aan de bestaanseis. De Hoge Raad doet dat volgens Kraft door enerzijds te oordelen dat de stichting niet voldoet aan de bestaanseis, maar anderzijds wél te oordelen dat dit aan de verkrijging uit de nalatenschap niet in de weg staat.7
Uit het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest blijkt dat de Hoge Raad geen probleem ziet in het verschaffen van een vorderingsrecht als wijze van vermogensafzondering. Maar een door vermogensafzondering bij uiterste wilsbeschikking in het leven geroepen stichting is naar het oordeel van de Hoge Raad geen erfgenaam of legataris. Niettemin oordeelt de Hoge Raad dat een stichting die de nalatenschap verkrijgt nadat de schulden en verplichtingen uit uiterste wilsbeschikkingen zijn voldaan, de erflater opvolgt in alle rechten en plichten.In zijn noot bij het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest vraagt Meijers zich af waarom de Hoge Raad wel concludeert dat de stichting in alle rechten en verplichtingen van de erflaatster treedt, maar daar niet de consequentie aan verbindt dat de stichting erfgenaam is. Een conclusie waaraan toch niet te ontkomen is, aldus Meijers. Bregstein spreekt van een dogmatische misvatting van de Hoge Raad door vast te houden aan de leer dat de stichting ontstaat door de verkrijging van haar vermogen en dat dat vermogen dus niet meer kan vererven. De oorzaak van deze dogmatische misvatting zoekt Bregstein in de miskenning van de mogelijkheid van samenval van rechtsmomenten door de Hoge Raad.8 De Jong merkt echter op dat de schrijvers niet goed zien dat de leer van de ongesplitste rechtshandeling sinds het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest niets van doen heeft met de bestaanseis. Dat was volgens De Jong de reden dat de Hoge Raad zich niet hoefde uit te laten over de vraag of de stichting al bij het overlijden van de erflater bestond.9
Terug naar Meijers. Waaruit bestonden zijn bezwaren tegen het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest? Die bezwaren waren dat de door vermogensafzondering in het leven geroepen stichting de rechten en plichten van de erfgenaam zouden worden ontzegd. Geen hereditatis petitio, geen overgang van bezit en geen aansprakelijkheid voor de schulden voor de door vermogensafzondering bij uiterste wilsbeschikking in het leven geroepen stichting.10
Toen Meijers in 1947 werd gevraagd een ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek op te stellen, greep hij zijn kans de leer van de Hoge Raad naar de prullenbak te verwijzen. In reactie op het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest neemt Meijers in zijn ontwerp voor het Nieuw Burgerlijk Wetboek in artikel 4.4.4.1 de bepaling op die wij thans, met de aanvulling uit 1992 (de bevoegdheid van Rechtbank Den Haag), kennen als artikel 4:135 BW.11 Ten aanzien van de aard van de verkrijging van de stichting, neemt Meijers in deze bepaling de kwalificatie van de verkrijgingen op: erfstelling of legaat, naargelang het vermaakte voldoet aan de omschrijving erfstelling of legaat.
Wij moeten ons echter bedenken dat toen Meijers zijn Ontwerp schreef, nog geen wetgeving op stichtingen bestond die had gebroken met de leer dat het afzonderen van vermogen en het oprichten van de stichting onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Vanwege Meijers’ bezwaren tegen de leer van de Hoge Raad dat de stichting geen erfgenaam kan zijn, bevreemdt het dan ook niet dat hij de stichting als een soort uiterste wilsbeschikking in zijn ontwerp voor Boek 4 BW opneemt. Artikel 4.4.4.1 van het ontwerp Meijers voor het Nieuw Burgerlijk Wetboek bevatte daarmee de wetsfictie dat de verkrijging uit de nalatenschap van een bij uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting een erfrechtelijke verkrijging was.
Meijers was al overleden toen in 1957 de Wet op stichtingen werd ingevoerd. In deze wet is afstand genomen van zowel de leer van de ongesplitste rechtshandeling als de leer van de gesplitste rechtshandeling. In beide leren was immers sprake van één rechtshandeling en ging de strijd over de vraag of die gesplitst kon worden in een deel dat zag op de creatie van een stichting en een deel dat zag op vermogenstoekenning (beschreven in 3.6.3). Het was onder de Wet op stichtingen niet langer verplicht direct bij de oprichting vermogen beschikbaar te stellen. Door stichting en vermogen niet langer als een onverbrekelijke eenheid te zien, vormden onder de Wet op stichtingen de oprichting van de stichting en de vermogenstoekenning voortaan twee gescheiden rechtshandelingen. Polak sprak zich duidelijk uit: de stichting kon onder de Wet op stichting zowel erfgenaam als legataris zijn.12 Hoewel hij de kwalificatie van de verkrijging aan de rechter wenste over te laten, was ook minister Van Oven van mening dat onder de Wet op stichtingen de bij dode opgerichte stichting krachtens erfrecht kon verkrijgen uit de uiterste wil waarbij zij werd opgericht.13
Mijns inziens staat vast dat met de Wet op stichtingen de oude leer zoals die nog in het Tétar van Elvenfonds-arrest was neergelegd, was achterhaald. Sinds de invoering van de Wet op stichting zijn verkrijgingen uit de nalatenschap van de erflater/oprichter erfrechtelijke verkrijgingen en is artikel 4:135 lid 1 BW overbodig.