Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/4.6
4.6 De verrekeningsplicht en verrekeningsverklaring onder artikel 24 Iw 1990
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS609612:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 13.
Handelingen II 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 69.
Deze formulering wekt de suggestie dat al eerder in de Toelichting zou zijn aangegeven dat de belastingplichtige zich niet op verrekening kan beroepen onder de nieuwe regeling van art. 241w 1990. Dat is niet het geval: dit wordt niet eerder expliciet vermeld in de Toelichting.
Zie de § 1.3 en 2.4.4.
Zie de vorige noot.
Handelingen II 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 73.
Zie art. 24.4 Leidraad Invordering 2008, die luidt: 'Verrekening van een uit te betalen bedrag door de ontvanger gebeurt bij beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige bekendgemaakt door toezending of uitreiking van een kennisgeving. Deze bekendmaking kan ook namens de ontvanger door de B/CA worden gedaan. Het achterwege laten van de bekendmaking heeft niet tot gevolg dat de verrekening nietig is.'
Zie eveneens § 2.4.4.
Zie art. 6:127 lid 1 BW en § 2.2.2.
Zie § 2.4.4.
Zie verder § 2.4.4.
Het algemene gedeelte van de Memorie van Toelichting1 gaat in op de verrekeningplicht voor de ontvanger:
"Er zij voorts op gewezen dat ten behoeve van de belastingschuldige de bepaling is opgenomen dat de ontvanger verplicht is tot compensatie over te gaan indien de belastingschuldige hem daarom verzoekt."
In het bijzondere deel van de Memorie van Toelichting2 komt dit onderwerp wederom aan de orde. Daar wordt duidelijk gemaakt dat de belastingplichtige zelf niet tot verrekening kan overgaan:
"Zoals gezegd3 kan de belastingschuldige zich niet zonder meer op grond van het tweede lid van artikel 25 op verrekening beroepen. Hij zal dit moeten verzoeken aan de ontvanger. Artikel 25, tweede lid, geeft immers uitsluitend de ontvanger een bevoegdheid tot verrekenen. De ontvanger is echter verplicht een dergelijk verzoek in te willigen."
De wetgever licht niet toe waarom alleen de ontvanger zich op verrekening zal mogen beroepen. Eerder kwam aan de orde dat dit kennelijk is ingegeven door het administratieve gerief van de ontvanger 4 Het is, zoals ik al aangaf, mijns inziens een serieuze tekortkoming in de regeling van artikel 24 Iw 1990 dat niet beide partijen een beroep op verrekening kunnen doen.5 Vervolgens wordt in de Memorie van Toelichting6 ingegaan op de wijze waarop de verrekening door de ontvanger kenbaar wordt gemaakt aan de belastingplichtige:
"Teneinde de belastingschuldige op de hoogte te stellen van het feit dat verrekening heeft plaatsgevonden bepaalt het zesde lid van artikel 25 dat de ontvanger onverwijld schriftelijke mededeling doet van de verrekening. Deze bepaling heeft niet tot gevolg dat de verrekening nietig is indien de mededeling niet is gedaan."
Een regeling met dezelfde strekking is in de Leidraad opgenomen.7 De wetgever kent aldus aan de verrekeningsverklaring in het kader van artikel 24 Iw 1990 geen zelfstandige status toe.8 Ook als van de verrekeningsbeschikking geen mededeling wordt of is gedaan, heeft de verrekening door de fiscus volgens de wetgever effect. Dat vormt een substantieel verschil met de verrekeningsverklaring bij de civielrechtelijke verrekening. Die verrekeningsverklaring is immers een noodzakelijke voorwaarde om een verrekening te doen plaatsvinden.9 Het ontbreken van een zelfstandige status voor de verrekeningsverklaring in de zin van artikel 24 Iw 1990 vormt, zoals ik reeds eerder aangaf,10 naar mijn mening een ernstige tekortkoming van artikel 24 Iw 1990. Ik meen overigens dat goed verdedigbaar is dat sinds de invoering van de regeling voor bestuursrechtelijke geldschulden via de vierde tranche Awb de bekendmaking van een verrekeningsbeschikking door de fiscus wel is gaan gelden als een noodzakelijk vereiste om de verrekening in werking te doen treden.11