Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.5.2
4.2.5.2 Uitputtende Europese regeling?
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396048:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 25 september 1984, 117/83 (Ktinecke), Jur. 1984, p. 3291. Zie ook Bonnes 1994, p. 91.
HvJEG 25 september 1984, 117/83 (Ktinecke), Jur. 1984, p. 3291.
Zie bijvoorbeeld artikel 48, negende lid, van de Commissieverordening nr. 612/2009.
Deze bepaling was neergelegd in artikel 75 van de Commissieverordening nr. 796/2004. Zie hieromtrent HvJEG 24 mei 2007, C-45/05 (Schonewille-Prins), Jur. 2007, p. 1-3997, r.o. 66. Inmiddels is artikel 75 van de Commissieverordening nr. 796/2004 vervangen door artikel 83 van de Commissieverordening nr. 1122/2009.
In de vorige paragraaf is reeds gerefereerd aan de mogelijkheid dat weliswaar voor een bepaald aspect van de uitvoering van een Europese verordening geen gemeenschappelijke Europese regels bestaan, maar desondanks geen ruimte bestaat voor toepassing van nationaal recht omdat de desbetreffende Europese verordening uitputtend is bedoeld. De desbetreffende Europese subsidieverordening dient in dat geval te worden beschouwd als een volledig stelsel.1 Het moet ervoor worden gehouden dat de Europese wetgever niet heeft gewild dat de nationale wetgever en nationale uitvoeringsinstanties de leemtes in de desbetreffende Europese verordening met nationaal recht aanvullen. Het arrest Ktinecice biedt een mooi voorbeeld.
In dit arrest gaat het om de verbeurdverklaring van de waarborg door nationale uitvoeringsorganen, terwijl deze waarborg al was vrijgegeven.2 Het Hof van Justitie dient de vraag te beantwoorden in hoeverre het de lidstaat vrijstond deze waarborg op grond van het nationale recht verbeurd te verklaren, hoewel daaromtrent in de desbetreffende Europese subsidieregeling niets was bepaald. Het Hof overweegt dat de gemeenschapsregeling betreffende de steunverlening aan de particuliere opslag in de sector rundvlees, als een volledig stelsel is te beschouwen in die zin, dat het de lidstaten niet de bevoegdheid laat om een eventuele leemte in dit stelsel aan te vullen door in hun nationaal recht een verplichting voor ondernemers op te nemen die geen grondslag heeft in het gemeenschapsrecht. Daarvan zou volgens het Hof alleen sprake kunnen zijn wanneer algemene bepalingen van gemeenschapsrecht betreffende het beheer van de gemeenschappelijke marktordeningen door de nationale autoriteiten, daarvoor een toereikende machtiging opleveren. Artikel 8 van de Verordening nr. 729/70 - waarin onder meer werd bepaald dat de lidstaten overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen de nodige maatregelen dienden te treffen om de ingevolge onregelmatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen - houdt volgens het Hof niet een dergelijke machtiging in. Deze bepaling heeft betrekking op de terugvordering van door het EOGFL betaalde bedragen en kan niet worden geacht van toepassing te zijn op de inning van een boete - een administratieve sanctie - die geen wettelijke grondslag in de gemeenschapsregeling vindt.
Opgemerkt zij dat het in het arrest Ktinecice om een aanvulling ging die tot gevolg had dat aan de eindontvanger van Europese subsidies verplichtingen werden opgelegd die geen grondslag hadden in de Europese regeling. Wellicht dat het Hof tot een ander oordeel zou zijn gekomen indien de aanvulling door het nationale recht voor de eindontvanger van de Europese subsidie gunstig had uitgepakt.
Of een Europese subsidieverordening uitputtend is bedoeld, moet worden afgeleid uit de Europese subsidieverordening zelf. In veel gevallen biedt de Europese subsidieverordening zelf duidelijkheid door bijvoorbeeld expliciet te bepalen dat de Europese sancties gelden onverminderd de eventueel door de lidstaat opgelegde aanvullende sancties3 of dat de lidstaten passende nationale sancties voor producenten of andere marktdeelnemers aan de procedure voor de toekenning van steun kunnen vaststellen in de gevallen waarin die verordeningen niet in passende kortingen en uitsluitingen voorzien.4