Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/3.2.1
3.2.1 Begrip 'beslissing' en voorlopige maatregelen
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS373467:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Met name dit laatste heeft tot enige discussie in de literatuur geleid. Het komt in Nederland vaak voor dat in een kort geding een veroordeling tot betaling van een voorschot wordt gegeven en dat de partijen zich bij deze beslissing neerleggen, zodat het niet tot een bodemprocedure komt. Aldus verkrijgt deze voorlopige beslissing de status van een eindbeslissing (zie hierover M. Freudenthal, Incassoprocedures, diss. UU, Deventer: Kluwer 1996, p. 53 e.v.).
HvJ EG 17 november 1998, C-391/95, Jur. 1998, p. 1-7091, NJ 1999, 339 (PV). In de Toelichting op het verordeningsvoorstel wordt aangegeven dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie met betrekking tot voorlopige maatregelen van toepassing blijft.
Zie voor de literatuurverwijzing Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 31, aant. 2.
In de zaak Mietz werd door het HvJ EG de bevoegdheid van de rechter op basis van art. 18 EEX-Verdrag (stilzwijgende forumkeuze; verschijning en niet-betwisting van de bevoegdheid van de rechter schept competentie) niet voldoende geacht voor het gelasten van voorlopige maatregelen (HvJ EG 27 april 1999, C-99/96, Jur. 1999, p.1-2277, NJ 2001, 90 (PV), r.o. 52). Waarom het Hof de verschijning van de verweerder niet voldoende acht, wordt door het Hof niet gemotiveerd.
HvJ EG Van Uden, r.o. 47.
HvJ EG Mietz, r.o. 56.
Stadler (1999), p. 66. Stadler vermeldt dat dit voorstel uit februari 1999 stamt. Het is opmerkelijk dat deze bepaling in de eindversie van het in april 1999 bekendgemaakte voorstel tot wijziging van het EEX- en het EVEX-Verdrag (SN 2581/1/99 REV 1) niet meer voorkomt. Het is ook niet duidelijk waarom deze bepaling niet in het voorstel voor de EEX-Verordening is opgenomen. Een verklaring voor het niet opnemen is dat op het moment van het bekendmaken van het voorstel het HvJ EG inmiddels de arresten in de zaken Van Uden en Mietz had gewezen. Nu de jurisprudentie van het Hof ook onder de verordening haar gelding behoudt, is een wijziging van de definitie van het begrip 'beslissing' niet noodzakelijk geweest.
HvJ EG 21 mei 1990, 125/79, Jur. 1980, p. 1553, NJ 1981, 184 UCS). Zie ook HvJ EG 14 oktober 2004, C-39102, n.n.g., Mærsk Olie&Gas/Firma W. de Haan en W. de Boer. In dit arrest heeft het Hof bepaald dat een beschikking tot het vormen van een fonds voor de beperking van redersaansprakelijkheid een beslissing in de zin van art. 25 EEX-Verdrag (vgl. art. 32 EEX-Vo) is, nu deze beschikking voordat de vraag naar de erkenning en tenuitvoerlegging daarvan wordt gesteld, het onderwerp kan zijn van een procedure op tegenspraak. Zie ook HR 20 december 1996, NJ 1998, 489 (M.H. Claringbould).
Dit is ontoereikend. Doordat er eventueel nog extra procedures gevolgd moeten worden, wint de debiteur de tijd om voor de tenuitvoerlegging vatbare vermogensbestanddelen te verduisteren. Zie ook het Advies van ECOSOC over het oorspronkelijke voorstel voor de EEX-Verordening, Pb EG C 17 van 26 april 2000, p. 9.
Een probleem dat zich in de jurisprudentie heeft voorgedaan is de vraag of onderbeslissing' ook een voorlopige beslissing valt. Het komt met enige regelmaat voor dat een van de in de procedure betrokken partijen in afwachting van de eindbeslissing een voorlopige beslissing vraagt. Het behoeft niet alleen te gaan om beslissingen die iets gebieden dan wel verbieden; het kan ook een voorlopig uitvoerbare beslissing betreffen, bijvoorbeeld een veroordeling tot betaling van een geldsom.1
In de zaak Van Uden2 is aan het HvJ EG door de Hoge Raad onder andere ook een prejudiciële vraag omtrent het Nederlandse kort geding gesteld. In de literatuur is discussie gevoerd over de vraag of een kortgedingprocedure een procedure tot het gelasten van een voorlopige maatregel is in de zin van art. 24 EEX-Verdrag (vgl. art. 31 EEX-Vo).3 Door het HvJ EG is deze vraag bevestigend beantwoord. Het Hof heeft bepaald dat indien de rechter die een voorlopige maatregel gelast, zijn bevoegdheid op art. 2 en 5 tot en met 18 EEX-Verdrag baseert, deze bevoegdheid een onvoorwaardelijke is.4 Baseert de rechter zijn bevoegdheid op art. 24 EEX-Verdrag in combinatie met zijn nationale bepalingen omtrent de relatieve competentie, dan heeft het Hof gemeend, dat er aan een bijzondere voorwaarde moet worden voldaan. Er moet sprake zijn van een reële band tussen het voorwerp van de gevorderde maatregel en de bevoegdheid van de rechter. Ten aanzien van een beslissing inhoudende betaling van een voorschot op een contractuele tegenprestatie heeft het Hof bepaald dat deze een voorlopige maatregel is, indien de eiser garandeert dat hij het toegewezen bedrag terugbetaalt in het geval dat hij in het bodemgeschil in het ongelijk wordt gesteld en de gevorderde maatregel betrekking heeft op vermogensbestanddelen die zich in de territoriale bevoegdheidssfeer van de aangezochte rechter (zullen) bevinden.5 Baseert de rechter van een verdragsstaat bij het gelasten van een voorlopige maatregel zijn bevoegdheid op art. 24 EEX-Verdrag en wordt daarbij aan het vereiste van het reële band voldaan, dan is er sprake van een voorlopige maatregel in de zin van art. 24 EEX-Verdrag. Bij een incasso kort geding geldt, dat indien de maatregel als een maatregel in de zin van art. 24 EEX-Verdrag aangemerkt moet worden, tevens de extra eisen van het Van Uden-arrest vervuld moeten worden. Een dergelijke voorlopige maatregel kan overeenkomstig het EEX-Verdrag in een andere verdragsstaat erkend en ten uitvoer worden gelegd.6
In een van de eerdere versies van het voorstel van de Groep Herziening van het Verdrag van Brussel en het Verdrag van Lugano werd voorgesteld om de volgende bepaling in het EEX-Verdrag op te nemen:
`Art. 25a
Die Vorschriften dieses Titels gelten nicht für Entscheidungen über die Anordnung einstweiliger oder auf eine Sicherung gerichteter Maßnahmen, die von einem Gericht erlassen werden, das für die Entscheidung in der Hauptsache nicht zuständig is.'7
Het voorstel van deze bepaling gaat echter een stap verder dan het HvJ EG in het Van Uden-arrest heeft bepaald. Deze bepaling sluit de uitvoerbaarheid van voorlopige maatregelen gebaseerd op art. 24 EEX-Verdrag overeenkomstig het EEX-Verdrag helemaal uit. In het Mietz-arrest dat na dit voorstel werd gewezen, heeft het HvJ EG de tenuitvoerlegging van een voorlopige maatregel die door een op basis van art. 24 EEX-Verdrag bevoegde rechter is gewezen, onder bepaalde voorwaarden toegestaan.
Een beslissing waarbij de rechter zijn bevoegdheid niet op internationaal aanvaarde maatstaven heeft gebaseerd, dient slechts territoriale werking te hebben. Voorzover het beslagbeslissingen betreft, verdient het mijns inziens aanbeveling om het verlof tot het leggen van een beslag wel te erkennen, waardoor malafide debiteuren worden beperkt in hun mogelijkheden om hun goederen binnen de Europese Unie te verduisteren. Vaak zullen beslissingen inhoudende een verlof tot het leggen van conservatoir beslag in een ex parte-procedure worden gegeven. Op grond van het Denilauler/Couchet Frères-arrest8 vallen dergelijke beslissingen niet onder het begrip 'beslissing' in de zin van art. 25 EEX-Verdrag en, zo moet worden aangenomen, evenmin onder art. 32 EEX-Vo. Bij de omzetting van het EEX-Verdrag in de EEX-Verordening is het vereiste van exequatur gehandhaafd. Tegen de exequaturverlening kan een rechtsmiddel worden ingesteld. Dit vertraagt het vrije verkeer van vonnissen. Door de exequaturering gaat tijd verloren. Het is daarom mijns inziens van belang om er voor te zorgen dat de crediteur door de erkenning van een beslagbeslissing uit de lidstaat van herkomst in een andere lidstaat de kansen op een succesvolle tenuitvoerlegging van een beslissing kan verhogen. Art. 47 EEX-Vo bepaalt dat indien een beslissing overeenkomstig de verordening erkend en ten uitvoer gelegd kan worden, voor de partij die een exequatur verzoekt, de mogelijkheid openstaat voorlopige of bewarende maatregelen overeenkomstig de wetgeving van de staat van tenuitvoerlegging te verzoeken, zonder dat een exequatur wordt aangevraagd. Het nadeel van dit artikel is dat indien de aangezochte staat voor het treffen van bewarende maatregelen een aparte procedure vereist, overeenkomstig dit artikel een nieuwe procedure dient te worden gevolgd.9