Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/423
423 De waardering van de waardestijging
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS364163:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Overigens was onduidelijk of het alleen ging om de aandelen die een bestuurder in die hoedanigheid als bezoldiging had ontvangen, of ook om aandelen die de bestuurder als bezoldiging had ontvangen voordat deze tot bestuurder werd benoemd. Indien dit laatste het geval is dan werden bestuurders uit eigen kweek in beginsel zwaarder gestraft. Zie hierover Lokin & Schild 2012. Gold het eerste geval, dan kon een bestuurder alsnog een substantieel financieel belang hebben door de waardevermeerdering van zijn aandelen die hij voor zijn benoeming als bezoldiging had ontvangen.
De term ‘beëindiging van het openbaar bod’ was ruimer dan de gestanddoening van het openbaar bod. Een bod kon ook beëindigd worden met de intrekking ervan. Eventuele procedures die naar aanleiding van de gestanddoening van het bod werden gevoerd, zoals een uitkoopprocedure ex 2:92a BW of 2:359c BW, vielen niet onder het begrip ‘beëindiging’. Kamerstukken I, 2012/13, 32 512, C, p. 13.
Niet relevant was hoe de benoeming eindigt. Daarnaast volgde uit de parlementaire geschiedenis dat in geval van herbenoeming de relatie van de bestuurder met de vennootschap niet werd beëindigd, maar juist werd gecontinueerd en dus niet hoefde te worden afgerekend. Kamerstukken I, 2012/13, 32 512, C, p. 13.
Daarbij zij opgemerkt dat bij een fusie of splitsing die doorgang vond, eveneens gekeken diende te worden of de bestuurder zijn aandelen, certificaten of opties vervreemdde of dat diens benoeming eindigde vóórdat de fusie of splitsing van kracht werd. Is dit niet het geval dan was art. 2:135 lid 7 (oud) BW immers niet van toepassing.
Deze waardevaststelling had eveneens betrekking op het aantal aandelen en opties dat de bestuurder op het tweede peilmoment was toegekend. Dit is immers het moment dat relevant was om de prikkel tot oneigenlijke oordeelsvorming tegen te gaan. Kamerstukken I, 2012/13, 32 512, C, p. 16.
In de wet was bepaald op welke wijze de vaststelling van de waardestijging diende te geschieden.1 Voor het openbaar bod gold dat gekeken diende te worden naar de waarde van de aandelenkoers na beurs:
op de dag, vier weken voordat het openbaar bod is aangekondigd;
op de dag, vier weken na de beëindiging van het openbaar bod2; en
op de dag, waarop ofwel de bestuurder zijn aandelen vervreemdt ofwel diens benoeming eindigt.3
Lag de waarde van de aandelen, certificaten of opties, op de dag waarop de bestuurder deze vervreemdt of zijn benoeming eindigt, hoger dan op de dag vier weken voor het openbaar bod, dan werd deze waardevermeerdering in mindering gebracht op de bezoldiging van de bestuurder tot ten hoogste de waardevermeerdering tussen de waarde vier weken na de beëindiging van het bod en de waarde vier weken voor de dag waarop het openbaar bod wordt aangekondigd.
Indien er sprake was van een aankondiging van een 107a-besluit dan zag de waardevaststelling op de waarde die de aandelen, certificaten of opties hadden na beurs:
op de dag vier weken voordat dit besluit aan de AVA wordt voorgelegd;
op de dag vier weken na goedkeuring van dit besluit; en
op de dag dat ofwel de bestuurder zijn aandelen vervreemdt ofwel diens benoeming eindigt.
Kondigde de vennootschap een voorstel tot fusie of splitsing aan, dan was allereerst van belang de vraag of de bestuurder zijn aandelen, certificaten of opties vervreemdde of dat diens benoeming eindigde vóórdat de fusie of splitsing van kracht werd. Alleen als hiervan sprake was, werd de waardestijging vastgesteld door te kijken naar de waarde van de aandelen, certificaten of opties na beurs:
op de dag vier weken voordat het voorstel wordt aangekondigd;
op de dag vier weken na het nemen van het besluit tot fusie of splitsing of op de dag vóór de dag waarop de fusie of splitsing van kracht wordt indien deze dag eerder is; en
op de dag waarop ofwel de bestuurder zijn aandelen vervreemdt ofwel diens benoeming eindigt.
De regeling van artikel 135 lid 7 (oud) BW had een beperkter toepassingsbereik in geval van fusie of splitsing in vergelijking met de aankondiging van het openbaar bod of goedkeuring van het artikel 107a-besluit. De reden hiervoor was dat een juridische fusie tot gevolg had dat twee rechtspersonen werden samengevoegd. Op het moment dat de fusie van kracht werd, werden de aandeelhouders van de twee fuserende vennootschappen van rechtswege aandeelhouder in de nieuwe vennootschap. Aangezien de aandelen in de nieuwe vennootschap niet goed vergelijkbaar zijn met de aandelen in de oude vennootschap, leidde dit ertoe dat artikel 135 lid (oud) 7 niet van toepassing was als de bestuurder zijn aandelen niet verkocht of als zijn benoeming niet werd beëindigd voordat de fusie of splitsing van kracht werd.4
De vennootschap was verplicht om, wanneer er sprake was van een aankondiging van een openbaar bod, een goedkeuring van een 107a-besluit of een aankondiging van een voorstel tot fusie of splitsing,5 alvast de waarde vast te stellen op de eerste twee peilmomenten voor het aantal aandelen, certificaten en opties dat de bestuurder op het tweede peilmoment als bezoldiging was toegekend. Was de waarde van de aandelen vier weken na de beëindiging van het openbaar bod hoger dan de waarde vier weken voor de aankondiging van het openbaar bod, dan vond op het moment van vervreemding of vertrek van de bestuurder vervolgens de definitieve waardevaststelling plaats.6