De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/425:425 De vordering ex art. 2:135 lid 7 (oud) BW
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/425
425 De vordering ex art. 2:135 lid 7 (oud) BW
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS366622:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I, 2012/13, 32 512, C, p. 15. Op deze aanname valt overigens wel het een en ander af te dingen. Het kan van belang zijn om te verlangen dat een bestuurder na vertrek zijn aandelen aanhoudt, zodat de horizon van de bestuurder verder strekt dan zijn afscheid.
Kamerstukken II, 2009/10, 32 512, nr. 3 (MvT), p. 21.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vordering van de vennootschap op de bestuurder ontstond in beginsel op het moment dat de bestuurder de aandelen verkocht. Daarnaast was er eveneens voor gekozen de vordering te laten ontstaan op het moment dat de bestuurder zijn aandelen niet verkocht, maar zijn relatie met de vennootschap als bestuurder beëindigde. De primaire reden hiervoor was, dat de waardestijging in mindering diende te worden gebracht op zijn bezoldiging. Met de beëindiging van diens benoeming eindigde ook de aanspraak van de bestuurder op zijn bezoldiging. Daar kwam bij dat na het vertrek van een bestuurder de vennootschap niet langer in staat was om te controleren of de voormalig bestuurder zijn aandelen verkocht, vanwege het ontbreken van een rechtsverhouding tussen de vennootschap en de voormalig bestuurder. Bovendien had de vennootschap er geen belang meer bij dat de voormalig bestuurder aandelen in de vennootschap hield.1
Het was aan de vennootschap om tot vaststelling van de eventuele waardevermeerdering over te gaan en deze in te houden op de bezoldiging van de bestuurder. Daarbij dient te worden opgemerkt dat onder de bezoldiging van de bestuurder alle componenten vielen zoals bedoeld in artikel 383c lid 1, waaronder dus ook de uitkeringen betaalbaar op termijn en de uitkeringen bij beëindiging van het dienstverband. Wat was nu rechtens, wanneer de vordering ex art. 2:135 lid 7 (oud) BW meer bedroeg dan de bezoldiging waar de bestuurder (nog) recht op had? Uit de parlementaire geschiedenis volgt, dat indien de bezoldigingsaanspraken minder waren dan de vastgestelde waardevermeerdering, de vennootschap voor het resterende bedrag een vordering had uit onverschuldigde betaling op de bestuurder. “De vennootschap heeft immers teveel betaald aan de bestuurder, gelet op de verplichting voortvloeiend uit artikel 2:135 lid 7 BW”.2
In het voorgestelde art. 2:129 lid 7 BW, opgenomen naar aanleiding van het amendement Tang/Irrgang en voorloper van art. 2:135 lid 7 (oud) BW, was bepaald dat de bestuurder de waardevermeerdering aan de vennootschap diende te betalen.3 Op deze formulering was veel kritiek omdat deze terugbetalingsplicht in strijd zou zijn met het eigendomsrecht. Om strijd met het eigendomsrecht te voorkomen heeft de minister vervolgens gekozen voor een verrekeningsverplichting door het voorgestelde art. 2:135 lid 7 (oud) BW zo vorm te geven dat de waardevermeerdering in mindering dient te worden gebracht op de toekomstige bezoldiging van de bestuurder.4 Uit de aangehaalde opmerking blijkt dat het uiteindelijke art. 2:135 lid 7 (oud) BW in beginsel weliswaar een verrekeningsverplichting bevatte, maar er alsnog sprake was van een terugbetalingsverplichting indien de waardevermeerdering niet kon worden verrekend met de toekomstige bezoldiging.