De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.4.4:II.4.4 Ontwikkelingen tussen 1848 en 1887
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.4.4
II.4.4 Ontwikkelingen tussen 1848 en 1887
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285082:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 januari 1879, W (1879) 4330 (Meerenberg).
Passchier 2017.
Passchier 2018, p. 153-168. Passchier relativeert de relevantie van de (formele) constitutionele wijzigingen op basis van een aantal voorbeelden van informele constitionele wijzigingen op basis van jurisprudentie of de politiek praktijk. Op dit punt kom ik in paragraaf 11 van dit hoofdstuk terug.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de periode na 1848 vond er bijna veertig jaar geen grondwetsherziening meer plaats. Dat laat onverlet dat in deze periode wel belangwekkende staatsrechtelijke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden. Ik geef drie voorbeelden.
De kwestie omtrent de Aprilbeweging in 1853 behelsde een conflict tussen Koning Willem III en een aantal van zijn ministers. De uitkomst was dat de liberale ministers (waaronder Thorbecke) aftraden, hoewel dit niet in de Grondwet was bepaald. De verhouding tussen de Koning en het liberale smaldeel van de Tweede Kamer verslechterde.
Een cruciale ontwikkeling in dit tijdsgewricht is het ontstaan van de vertrouwensregel tussen 1866 en 1868. Deze ongeschreven regel die inhoudt dat geen kabinet, minister of staatssecretaris aanblijft zonder vertrouwen in het parlement, is een fundamentele regel in het staatsrecht. Deze regel is overigens niet los te zien van de verworvenheden van de Grondwet van 1848, aangezien met name het budgetrecht, de ministeriële verantwoordelijkheid en het ontbindingsrecht een belangrijke rol speelden bij de ontwikkeling van de vertrouwensregel. De vertrouwensregel is tot op heden niet opgenomen in de Grondwet.
Een andere belangrijke ontwikkeling betreft het klassieke arrest Meerenberg uit 1879. De Hoge Raad besliste daarin op grond van de artikelen 54 en 104 Grondwet (1848) dat de bevoegdheid van de Koning om wettelijke voorschriften vast te stellen moet volgen uit de toekenning van die bevoegdheid door een wettelijke bepaling. Niet is beslissend dat die bevoegdheid hem niet ontzegd is.1
De pointe van deze paragraaf moge duidelijk zijn. Belangrijke constitutionele ontwikkelingen behoeven niet altijd een grondwetsherziening. Dat bleek al in de negentiende eeuw. In dit verband is het goed te verwijzen naar het proefschrift van Passchier, waarin hij terecht stelt dat belangrijke constitutionele ontwikkelingen niet alleen plaatsvinden door het volgen van de grondwetsherzieningsprocedure, maar ook op informele wijze. In een rechtsvergelijking met Japan, Duitsland en de Verenigde Staten komt hij tot deze conclusie.2 Voor Nederland luidt zijn conclusie niet anders.3 In paragraaf 11 kom ik op deze thematiek terug.