Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/4.7
4.7 Vergeving bij voorbaat
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859298:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1170, 1173 en 1174. Zie hierover ook Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, p. 30 en F. Schols, in: Handboek Erfrecht, 2020, p. 259.
Rb. Midden-Nederland 6 mei 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:3038, RFR 2015/116. Zie hierover ook Hoens, EstateTip 2016/11. In par. 2.8 wordt deze uitspraak ook besproken, maar dan voor het gedeelte dat ziet op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Zie par. 4.3.
Bij het beroep van de man op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt het euthanasiegeval uit de parlementaire geschiedenis wel in de beoordeling betrokken. Zie over dit aspect van de uitspraak nader par. 2.8.
Vandenbogaerde, TPR 2021, p. 660.
Vandenbogaerde, TPR 2021, p. 661.
Breemhaar 2013, p. 6.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 17.
Vergeving voordat van een onherroepelijke veroordeling sprake is, moet worden onderscheiden van de vergeving bij voorbaat. Bij vergeving bij voorbaat gaat de vergiffenis aan de gedraging vooraf. De vergeving bij voorbaat is in de parlementaire geschiedenis aan bod gekomen bij de bespreking van het bijzondere geval dat een erfrechtelijke verkrijger, tevens arts, op verzoek van de erflater hem euthanaseert. Indien dit leidt tot een bewezenverklaring van het misdrijf ‘levensbeëindiging op verzoek’, maar de strafrechter geen straf of maatregel oplegt (art. 9a Sr, een rechterlijk pardon) dan heeft dat tot gevolg dat de fictie wordt aangenomen dat de erflater de gedraging bij voorbaat heeft vergeven.1
In de jurisprudentie heeft de vraag gespeeld of vergeving bij voorbaat ook in andere situaties mogelijk is. De Rechtbank Midden-Nederland heeft zich hier in 2015 over gebogen.2 In de zaak die daar speelde, liggen de feiten als volgt.
M en V zijn sinds 1988 gehuwd. In 2005 verslechterde de lichamelijke gesteldheid van V dusdanig dat zij volledige verzorging nodig had. M heeft haar die verzorging geboden. Op enig moment hebben M en V besloten om zelf uit het leven te stappen. Ter voorbereiding hebben zij een afscheidsbrief opgesteld voor hun familie en hebben zij hun testamenten aangepast. Tevens hebben zij een brief gestuurd aan de politie met daarin de mededeling waar zij gevonden konden worden. Ter uitvoering van het plan is V door M in bad gelegd alwaar hij haar met een mes om het leven heeft gebracht. M heeft zichzelf vervolgens in de borststreek gestoken, maar overleeft. M wordt veroordeeld tot tweeëneenhalf jaar gevangenisstraf. In de civiele procedure doet M onder meer een beroep op ondubbelzinnige vergeving.
De gedraging waar het volgens de rechtbank om gaat, is dat M niet hen beiden heeft omgebracht, maar enkel V. Een gedraging waar M noch V rekening mee heeft gehouden. Uit de brieven en aangepaste testamenten blijkt duidelijk dat zij samen uit het leven wilden stappen. Omdat de gerealiseerde situatie niet door hen is voorzien, kan naar het oordeel van de rechtbank uit de brieven en gedragingen voorafgaand aan de dood van V niet worden afgeleid dat zij M (op voorhand) heeft vergeven voor het feit dat hij alleen haar heeft omgebracht. Bovendien kan niet worden vastgesteld of V de gedraging heeft vergeven, omdat niet kan worden vastgesteld dat zij met dit scenario akkoord was gegaan als zij het had voorzien. Niet kan worden uitgesloten dat een eventuele doodswens van V slechts was gericht op een gezamenlijk overlijden. Van ondubbelzinnige vergeving is geen sprake. De opmerking van M dat V hem ook zou hebben vergeven voor de situatie dat enkel zij komt te overlijden doet volgens de rechtbank niet ter zake nu voor vergeving vereist is dat V hem daadwerkelijk op ondubbelzinnige wijze heeft vergeven.
In de kern komt dit oordeel overeen met de opmerkingen van meer algemene aard van het Hof Arnhem-Leeuwarden waarin het optekent dat voor vergeving noodzakelijk is dat de erflater de gedraging die tot onwaardigheid leidt, kent.3 V kent de gedraging niet en daarom kan van vergeving geen sprake zijn. Bij de afwijzing van het beroep op vergeving lijkt geen rol te spelen dat – anders dan bij het euthanasiegeval uit de parlementaire geschiedenis – de strafrechter niet heeft volstaan met een rechterlijk pardon, maar een gevangenisstraf van tweeëneenhalf jaar heeft opgelegd.4
Vandenbogaerde merkt over deze uitspraak nog op dat er argumenten zijn aan te dragen waardoor het niet aannemen van vergeving bij voorbaat allerminst passend is. Bijvoorbeeld indien de man wel wil sterven, maar niet overlijdt door omstandigheden buiten zijn wil. Te denken valt aan het ingrijpen door hulpdiensten. Dat de man het oorspronkelijke plan niet uitvoert, is dan niet aan de man te wijten.5 Deze redenering overtuigt niet. Feit blijft dat M en V niet met elkaar over dit scenario hebben gesproken en V dit niet heeft voorzien. De benadering in de rechtspraak spreekt aan dat voor vergeving noodzakelijk is dat de erflater de gedraging (en in dit geval ook de gevolgen daarvan) kent. Wel ben ik met Vandenbogaerde van mening dat degene die afgaat op het verkrijgen van vergeving bij voorbaat, balanceert op een dun koord, aangezien het intreden daarvan afhangt van de verwezenlijking van de beoogde gevolgen.6
Vermeldenswaard is tot slot dat uit deze uitspraak volgt dat vergeving bij voltooide levensdelicten niet per definitie is uitgesloten, zoals in de literatuur wel is gesteld.7 Indien van meet af aan het plan was geweest dat M enkel V zou vermoorden en uit de gedragingen en/of brieven blijkt dat V die gedraging ondubbelzinnig heeft vergeven, is een geslaagd beroep op artikel 4:3 lid 3 BW mogelijk. Een vraag van andere orde is of vergeving bij voorbaat wenselijk is. De Belgische wetgever meent van niet, omdat de dader geen vrijbrief moet krijgen voor het plegen van strafbare feiten.8 In hoofdstuk 5 en 6 komt dit nader aan de orde.