Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.5.5.3
7.5.5.3 Inbreng
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232927:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII, 2017//34, Mathey-Bal, dissertatie 2016, pagina 31 – 32. Het is bovendien niet noodzakelijk dat de maten in staat zijn om onderling nakoming van de inbrengverplichting af te dwingen, zie de conclusie van A-G Niessen bij het arrest HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:340, BNB 2017/85, punt 8.18, alsmede de aldaar aangehaalde literatuur en jurisprudentie.
Een fonds voor gemene rekening is geen civielrechtelijk, maar een fiscaal begrip. Artikel 2 lid 2 Wet Vpb definieert een (open) fonds voor gemene rekening als een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden, mits van de deelgerechtigdheid in het fonds blijkt uit verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid. Of een fonds open of besloten is hangt af van de mate van verhandelbaarheid van de bewijzen van deelgerechtigdheid. Een separate definitie van een besloten fonds voor gemene rekening komt overigens niet in de wet voor.
Van der Velden, dissertatie 2008, pagina 320 – 321.
De Hoge Raad baseert zijn oordeel op veronderstelde feiten, die in het vervolg van de procedure door het verwijzingshof bewezen geacht werden (zie HR 4 maart 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC8781, NJ 1970/228).
Om een overeenkomst te kunnen kwalificeren als maatschap dient niet alleen sprake te zijn van inbreng, maar dient deze inbreng ook gericht te zijn op het behalen van het beoogde vermogensrechtelijke voordeel. In dit verband is het vereiste niet de daadwerkelijke (effectuering van de) inbreng, maar dat de maten de verplichting tot het doen van deze inbreng op zich nemen.1 In beginsel zal bij certificering van vermogen sprake zijn van een causaal verband tussen de inbreng en het oogmerk van de certificering. Derhalve valt naar mijn mening aan te nemen dat indien (in voldoende mate) sprake is van een oogmerk om een vermogensrechtelijk voordeel voor de certificaathouders te behalen, de inbreng van vermogen bij het instellen van de certificering daar ook op gericht zal zijn. Deze twee criteria gaan derhalve hand in hand: zij zijn ofwel beide aanwezig, of ontbreken allebei.
In dit verband zij voorts gewezen op de mening van Van der Velden, dat een fonds voor gemene rekening2 slechts kan kwalificeren als een personenvennootschap indien de participanten zich jegens elkaar verbinden tot inbreng. Van een dergelijke onderlinge verplichting is zijns inziens geen sprake indien de stortingsplicht uitsluitend geldt jegens de beheerder en de bewaarder van het fonds, ook niet als de participanten partij zijn bij dezelfde contractuele verhouding. Van der Velden sluit evenwel niet uit dat een rechter op basis van het geheel van verbintenissen tussen de beheerder, de bewaarder en de deelnemers toch tot het oordeel komt dat sprake is van (inbreng in) een personenvennootschap.3 Gezien het Union II-arrest, betreffende de kwalificatie van een fonds voor gemene rekening als maatschap, zou ik verwachten dat deze stap niet heel moeilijk te nemen is: voor zover op basis van de vermelde feiten beoordeeld kan worden, was in de desbetreffende zaak geen sprake van een (in de fondsvoorwaarden opgenomen) verplichting van de participanten jegens elkaar tot inbreng. Desalniettemin was de Hoge Raad van oordeel dat sprake kon zijn van een maatschap.4 Zoals hiervoor opgemerkt zal zich bij certificering in familiale context de wil tot samenwerken met oog op het voor gemeenschappelijke rekening behalen van vermogensrechtelijk voordeel in principe niet voordoen. Indien men echter toch zou kunnen aannemen dat sprake is van een impliciete wil tot samenwerking tussen de certificaathouders, die zich uit door aanvaarding van de administratievoorwaarden, dan zal mijns inziens ook verondersteld kunnen worden dat zij de inbrengverplichting, die zij daarbij op zich genomen hebben, ook jegens elkaar zijn aangegaan.