Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.4.7.2
3.4.7.2 De subjectiviteit van het begrip ‘waarde in het economische verkeer’
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630381:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Dezelfde zin, commentaar Fiscale encyclopedie De Vakstudie bij artikel 5.19 Wet IB 2001.
IVS Framework, paragraaf 40, artikel 40.1: ‘Het taxatieproces vereist van de taxateur onpartijdige oordelen over de betrouwbaarheid van inputparameters en uitgangspunten. Voor een geloofwaardige taxatie is het van belang dat deze oordelen worden gegeven op een wijze die transparantie bevordert en de invloed van subjectieve factoren op het proces minimaliseert. Een oordeel dat bij een taxatie wordt gehanteerd, moet objectief worden toegepast om bevooroordeelde analyses, opinies en conclusies te voorkomen.’
Berkhout 2015, pagina 6-7.
Kalkman wijst in zijn column erop dat er toch sprake is van een zekere mate van kunstmatigheid: ‘een voorbeeld is ook de op dit moment door overheid en centrale banken kunstmatig laag gehouden rente, met als doel de economie te versterken. Gevolg is dat de prijzen van aandelen en obligaties kunstmatig hoog zijn en de marktrente kunstmatig laag. De rente is dus helemaal niet de uitkomst van het spel in een vrije markt.’
Meussen, pagina 42.
Vergoossen.
Zie ook Meussen paragraaf 2.4.1: ‘Hiermee zijn we weer terug bij het uitgangspunt van dit hoofdstuk namelijk de vraag in hoeverre er op zichzelf gesproken kan worden van waarde in objectieve zin. In theorie kan het begrip 'waarde in het economische verkeer' wel worden gehanteerd, in de praktijk blijkt een dergelijk eenduidig uit te leggen waardebegrip niet te bestaan. Moet de conclusie niet toch zijn dat een waardebegrip weliswaar objectief gedefinieerd kan worden, maar elke feitelijke waardevaststelling per definitie een subjectieve aangelegenheid is? Er kan wel worden gesproken van een objectief waardebegrip maar in de feitelijke vaststelling daarvan is het dat niet meer. In zoverre kan dan ook niet van een objectieve waarde worden gesproken.’
De maatstaf van heffing dient voor elke belastingplichtige gelijk te zijn. Uitgangspunt van het begrip 'waarde in het economische verkeer' is geweest dat subjectieve elementen in beginsel zijn uitgeschakeld en dat wordt aangesloten bij de objectieve prijs die tot stand komt op de vrije markt.1 Om de objectiviteit te waarborgen is in de IVS bepaald dat de subjectieve factoren moeten worden geminimaliseerd en het oordeel dat bij een taxatie wordt gehanteerd, objectief moet worden toegepast om bevooroordeelde analyses, opinies en conclusies te voorkomen.2
In HR 18 maart 1981, nr. 20 050, BNB 1981/170 is door de Hoge Raad – voor de bepaling van de omvang van een onttrekking – bepaald dat geen rekening mag worden gehouden met subjectieve elementen. De omvang van de onttrekking wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer ten tijde van de onttrekking. De Hoge Raad overwoog:
‘dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van het met ingang van 24 mei 1978 vervallen artikel 11, lid 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) valt af te leiden dat bij de waardering van zaken, ten aanzien waarvan in de Wet is bepaald dat zij in aanmerking worden genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend – met welke term de wetgever heeft beoogd tot uitdrukking te brengen dat voor de waardering in beginsel een objectief criterium geldt -, slechts dan met subjectieve elementen rekening mag worden gehouden, indien de wetgever zulks uitdrukkelijk heeft voorgeschreven;’
Berkhout geeft aan dat een taxatie van de marktwaarde een opinie (van een professional/persoon) over de uitkomst van een hypothetische transactie is. De uitkomst is altijd onzeker. Het gaat dus om een persoonlijke schatting. De uitkomst van zo’n schatting is niet geheel te falsificeren, noch te verifiëren. Hij geeft hierbij het volgende – mijns inziens zeer kenmerkende – voorbeeld:
‘Van taxateur wisselen kan vooral voor kantoorbeleggers tot onverwacht grote afwaarderingen leiden. In het septembernummer 2013 van Vastgoedmarkt vertelt René Hogenboom van Altera Vastgoed openhartig over zijn ervaringen. Grote afwaarderingen zijn pijnlijke gebeurtenissen die meestal binnenskamers blijven. Bij Altera Vastgoed nemen zij hierover geen blad voor de mond. Hogenboom, directievoorzitter van Altera Vastgoed vertelt over de ‘bijzondere’ ervaringen met nieuwe taxateurs. Zo liet Altera een Utrechts kantoorpand van 20.000 m2 taxeren. De waarde daalde in drie maanden tijd met 31%. Het Utrechtse kantoorpand stond medio 2012 voor € 48 miljoen in de boeken. Een nieuwe taxateur waardeerde het in eerste instantie met 46% af tot € 26 miljoen. In tweede instantie werd dit beperkt tot een afwaardering van 31%. Om de veronderstelde waarde meer te kunnen objectiveren, liet de Altera-directie alsnog taxaties opstellen door de vorige taxateur (die op € 44 miljoen uitkwam) en twee andere taxateurs. Dit heeft geleid tot vier taxaties met een bandbreedte van -13% tot +13% ten opzichte van het gemiddelde. Het pand kwam uiteindelijk op ultimo 2012 voor € 36 miljoen in de boeken te staan, een afboeking van 25%.’3
Als in dit geval de waarde in het economische verkeer had moeten worden bepaald in het kader van een sfeerovergang, dan waren de volgende scenario’s denkbaar.
Waardering 1
Waardering 2
Waardering 3
Waardering 4
Verkoopprijs
€ 45 mln.
€ 45 mln.
€ 45 mln.
€ 45 mln.
Waarde op de openingsbalans
€ 26 mln.
€ 33 mln.
€ 44 mln.
€ 36 mln.
Resultaat voor afschrijvingen
€ 19 mln.
€ 12 mln.
€ 1 mln.
€ 9 mln.
Het fiscaal resultaat verschilt tussen de € 1 mln. en de € 19 mln. Dit verschil in uitkomst is ongewenst en valt niet te rechtvaardigen vanuit het draagkrachtprincipe.
Bij de directe opbrengstwaarde zal de invloed van subjectieve schattingen het kleinst zijn. Het gaat dan immers om de prijs die een onafhankelijke derde op dat moment zou willen betalen.4 Aangezien deze waarderingsmethode alleen geschikt is voor courante goederen, bestaat er een duidelijke afzetmarkt en kan de prijs relatief objectief worden vastgesteld. Maar zoals uit bovenstaand voorbeeld blijkt, kunnen taxaties van de directe opbrengstwaarde toch tot grote verschillen leiden. Bij de andere waarderingsmethoden spelen subjectieve inschattingen echter een nog grotere rol. Meussen betoogt bijvoorbeeld dat de bedrijfswaarde op zichzelf genomen als een geobjectiveerd waardebegrip is te beschouwen. Hij betoogt echter ook dat we onze ogen niet kunnen sluiten voor het feit dat aan het proces van schatten onherroepelijk subjectieve aspecten verbonden zijn. De subjectiviteit bij de bepaling van de bedrijfswaarde is terug te voeren op een opeenstapeling van ficties:
de overdracht van de onderneming als geheel;
de voortzetting door de ondernemer;
gefingeerde mogelijkheid als zou de overnemingswaarde van de gehele onderneming toe te rekenen zijn aan de verschillende activa en passiva.5
Vergoossen betoogde in zijn oratie dat IFRS (waar ook wordt uitgegaan van fair value/waarde in het economische verkeer) niet bruikbaar is voor fiscale doeleinden.6 Dit stoelt hij onder andere op de subjectieve inschattingen:
‘Bij de informatieverstrekking op basis van de IFRS speelt fair value accounting oftewel de waardering en resultaatbepaling op basis van marktwaarden of andere reële’ waarden een steeds belangrijkere rol. Die leent zich vanwege de soms zeer subjectieve inschattingen die door de ondernemingsleiding moeten worden gemaakt niet voor de vaststelling van de belastbare winst. De fiscale winstbepaling is gediend met objectieve normen. Bovendien impliceert fair value accounting dat er ongerealiseerde winsten kunnen zijn die de onderneming nog niet in liquide vorm ter beschikking staan. Belastingheffing over dergelijke winsten zou dan tot liquiditeitsproblemen kunnen leiden; op de tweede plaats zijn de IFRS primair bedoeld voor de externe financiële verslaggeving van beursgenoteerde ondernemingen, terwijl de bepaling van de grondslag voor de belastingheffing voor het gehele bedrijfsleven uniform behoort te zijn. Mijns inziens past het niet om daarvoor de IFRS te nemen;’
Om tot een objectieve waardering te komen, moeten subjectieve elementen dus worden geëlimineerd. Er dient echter ook erkend te worden dat dit praktisch onmogelijk is, omdat wordt uitgegaan van verwachtingen. Daarbij is een waardering per definitie subjectief. Meussen betoogt dat in theorie het begrip 'waarde in het economische verkeer' wel kan worden gehanteerd, maar in de praktijk blijkt een dergelijk eenduidig uit te leggen waardebegrip niet te bestaan. Een waardebegrip kan weliswaar objectief gedefinieerd worden, maar elke feitelijke waardevaststelling is per definitie een subjectieve aangelegenheid. Er kan wel worden gesproken van een objectief waardebegrip, maar in de feitelijke vaststelling daarvan is het dat niet meer. In zoverre kan dan ook niet van een objectieve waarde worden gesproken.
De subjectieve elementen kunnen echter wel zoveel mogelijk geëlimineerd worden. De subjectieve elementen zien we vooral terug bij de dcf-methode. Juist doordat bij toepassing van de dcf-methode wordt uitgegaan van allemaal ficties is de vraag of op basis van de dcf-methode wel de daadwerkelijke vermogensmutatie van de onbelaste periode kan worden bepaald. Als er technisch juist gewaardeerd wordt, is de waardering nog steeds subjectief. Het prognosescenario is immers onderhevig aan subjectieve inschattingen en ook de vermogenskostenvoet of rendementseis is subjectief en verschilt per investeerder. Zoals reeds eerder betoogd, acht ik de dcf-methode minder geschikt voor de fiscale openingsbalans. Als deze methode al gehanteerd wordt, zal in ieder geval moeten worden bewerkstelligd dat aan de subjectieve elementen zo min mogelijk gewicht wordt toegekend.7