Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/5.8.4:5.8.4 Beoordeling effectiviteit van het rechterlijk bevel en verbod bij oneerlijke bedingen
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/5.8.4
5.8.4 Beoordeling effectiviteit van het rechterlijk bevel en verbod bij oneerlijke bedingen
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692099:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
257. Uit de Richtlijn oneerlijke bedingen volgen twee verplichtingen voor de nationale wetgever. In de eerste plaats moeten oneerlijke bedingen buiten toepassing kunnen worden gelaten. Die verplichting brengt ook mee dat voorlopige maatregelen moeten kunnen worden genomen op grond waarvan de verdere toepassing van een oneerlijk beding wordt beëindigd. Aan deze beide verplichtingen wordt naar Nederlands recht voldaan. Niet alleen kan de rechter (ambtshalve) oneerlijke bedingen vernietigen, maar ook kan (in kort geding) een einde worden gemaakt aan de toepassing van dat beding. Die maatregel zal in de regel een bevel zijn tot het staken van een bepaald (executie)gedrag of een verbod om dat gedrag voort te zetten.
258. In de tweede plaats moet het nationale recht erin voorzien dat belangenorganisaties een einde kunnen maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen. Ook dat is naar nationaal recht mogelijk. Art. 6:241 BW voorziet in een bijzondere bevoegdheid voor de rechter, maar ook zonder die bevoegdheid zou een bevel tot het staken van het gebruik van een onredelijk bezwarend beding mogelijk zijn op grond van het bepaalde in art. 3:296 BW.
259. Naar nationaal recht is dus verzekerd dat er een effectieve remedie bestaat zoals in de Richtlijn is voorgeschreven.