Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.10.3.4
7.3.10.3.4 Het verbod op reformatio in peius
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940310:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Via art. 8:108 Awb is het verbod ook van toepassing in hoger beroep, zie HR 19 december 2014, V-N 2015/2.7, BNB 2015/78. Het verbod geldt ook reeds in de bezwaarfase (thans voortvloeiend uit art. 7:11 Awb), zie HR 21 juni 1978, BNB 1978/228, en hoogstwaarschijnlijk ook in (of na) de cassatiefase (ingeval van verwijzing), zie Hof ’s-Hertogenbosch 1 februari 2023, V-N 2023/40.24, r.o. 3.7. Zie voorts HR 28 oktober 2016, V-N 2016/55.4 en HR 3 april 2020, V-N 2020/17.20, BNB 2020/92.
Zie Koopman 1996, p. 210.
Dat laat onverlet dat door het voeren van een procedure tegen de aanslag over een bepaald jaar informatie naar voren kan komen die ongunstig uitpakt voor (aanslagen over) andere jaren.
Het zogeheten verbod op reformatio in peius betekent dat een belastingplichtige, door een rechtsmiddel aan te wenden, er voor wat betreft de met dat rechtsmiddel aangevochten beslissing uiteindelijk niet slechter van af mag komen.1 Dit verbod vindt zijn rechtsgrond in art. 8:69 Awb, dat erop neer komt dat het beroep wordt beslecht op basis van de grieven zoals die worden aangevoerd.2 Als die grieven niet slagen, blijft alles zoals het was.3 In zoverre is de rechter dan ook beperkt: de aanslag zoals die is opgelegd of in bezwaar is verminderd, vormt de bovengrens.