Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.3.2.2.2
5.3.2.2.2 Algemene aspecten van toepassing van het criterium
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3 (MvT), p. 25.
Onderdeel 7 van de conclusie van AG Vegter bij HR 15 februari 2011, NJ 2011, 92.
Zie § 2.4.3.
Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3 (MvT), p. 25. Ontbreekt voldoende belang, dan zal het getuigenverzoek reeds op die grond kunnen worden afgewezen. Wanneer de grond van artikel 288 lid 1 sub a Sv wordt gebruikt voor het afzien van een hernieuwde oproeping, zal de verdediging over het algemeen dus wel een redelijk belang hebben bij de getuige. In sommige gevallen lijkt de rechter onnodig risico te nemen door af te zien van oproeping op de grond dat de getuige niet binnen aanvaardbare termijn zal verschijnen, terwijl hij ook had kunnen overwegen dat de verdediging niet in haar belangen zou worden geschaad door het uitblijven van een oproeping. Dit is mijns inziens gebeurd in HR 23 november 1999, NJ 2000, 126, waarin de getuige al eerder was gehoord door de raadsman van de verdachte. Vgl. onderdeel 16 van de conclusie van AG Jörg bij HR 25 januari 2005, NJ 2006, 411 en onderdeel 16.5 van de conclusie van AG Machielse bij HR 30 juni 2009, NJ 2009, 481.
Onderdeel 12 van de conclusie van AG Knigge bij HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3446. Zie ook onderdeel 4 van zijn noot bij HR 29 september 1998, NJ 1999, 74 en onderdeel 3.12 van de conclusie van AG Machielse bij HR 11 november 2008, NJ 2008, 597.
Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3 (MvT), p. 25.
Een geval is HR 24 januari 2012, NJ 2012, 84, r.o. 2.4. Zie ook HR 29 september 1992, NJ 1993, 222, r.o. 6.2. In die zaak was de getuige echter zelfs niet opgeroepen, zodat niet kan worden gezegd dat enige inspanning was gedaan om de getuige voor ondervraging beschikbaar te stellen. Advocaten-generaal bij de Hoge Raad noemen wel regelmatig in hun conclusies de omstandigheid dat de getuigenverklaring van groot belang was. Zie bijvoorbeeld de conclusie van AG Vellinga bij HR 28 september 2004, NJ 2004, 629.
Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3 (MvT), p. 24-25.
HR 23 november 1999, NJ 2000, 126, r.o. 4.2. De verdediging was overigens eerder bij de rechter-commissaris in de gelegenheid geweest om de getuige te ondervragen. Deze omstandigheid betrok de Hoge Raad niet bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van het afzien van hernieuwde oproeping. Mijns inziens was de beslissing hierdoor wel sterker geworden, aangezien het verdedigingsbelang bij deze stand van zaken aanzienlijk kleiner was dan wanneer de getuige nooit eerder had kunnen worden bevraagd.
EHRM (GC) 25 maart 1999, appl.no. 25444/94 (Pélissier & Sassi/Frankrijk), § 67 en 72; EHRM(GC) 17 december 2004, appl.no. 49017/99 (Pedersen&Baadsgaard/Denemarken), § 49.
EHRM 8 juni 2006, appl.no. 60018/00 (Bonev/Bulgarije), § 44; EHRM 24 april 2012, appl.no. 1413/05 (Sibgatullin/Rusland), § 56.
Zo kan worden betoogd dat het opleggen van een straf effectiever zal zijn naarmate minder tijd verstrijkt tussen het strafbare feit en de tenuitvoerlegging van de straf. Ook zal eventuele maatschappelijke onrust naar aanleiding van een strafbaar feit sneller kunnen afnemen wanneer de procedure op een eerder moment eindigt en zal een bestraffing op een eerder moment een generaal-preventieve werking hebben.
Vgl. artikel 10 lid 2 van het Europees Rechtshulpverdrag: het rechtshulpverzoek tot de dagvaarding van een getuige voor de Nederlandse autoriteiten moet bij benadering aangeven welk bedrag aan schadevergoeding, reis- en verblijfkosten wordt vergoed.
Zie daarover Mols 2003, p. 507-521.
Mols 2003, p. 520 vraagt zich in dit kader af of de Nederlandse regeling wel in overstemming is met het recht op equality of arms.
Zie ten aanzien van buitenlandse getuigen Klip 1994, p. 396 en Commissie-Swart 1993, p. 54-55.
Volgens de Commissie-Swart 1993, p. 55 was de vergoeding in 1993 ƒ 10,30 per uur, met een maximum van negen uren per dag. Zij deed de aanbeveling om dit bedrag op te hogen tot het tarief dat in Duitsland gold: ƒ 25 per uur. De huidige € 6,81 per uur is aanzienlijk lager dan ƒ 25, zelfs wanneer de stijging van de salarissen tussen 1993 en 2014 buiten beschouwing zou worden gelaten.
De verdachte kan overigens een voorschot aanvragen om de kosten aan de getuige te voldoen (art. 16 lid 1 WTS). Dat voorschot moet de verdachte in beginsel terugbetalen aan de staat binnen drie maanden na beëindiging van de zaak (art. 16 lid 2 WTS). Eindigt de zaak zonder oplegging van een sanctie, dan zal de verdachte dit bedrag niet hoeven terug te betalen. In dat geval is artikel 591 Sv van toepassing.
Blom stelt dat het openbaar ministerie in de praktijk vaak de oproeping van getuigen ‘overneemt’, waardoor de kosten daarvan ook voor rekening van de overheid komen (in Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 9 op art. 263 Sv). Mols 2003, p. 509 schrijft echter dat dit naar zijn indruk slechts zelden gebeurt. In HR 23 november 1999, NJ 2000, 126 bleek de getuige alleen bereid te zijn om naar Nederland te reizen wanneer haar reis en verblijf zouden worden betaald en geregeld. AG Jörg overwoog dat uit het proces-verbaal van de zitting niet duidelijk bleek dat de verdediging bereid was die kosten te dragen. Kennelijk was hij van oordeel dat de kosten voor rekening van de verdediging zouden moeten komen. Ook in de zaak die leidde tot HR 12 september 2006, NS 2006, 392, gaf de getuige aan de reis niet te kunnen betalen. De Hoge Raad oordeelde dat het gerechtshof niet had mogen aannemen dat niet aannemelijk was dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter zitting zou verschijnen, aangezien het niet had onderzocht of een (door de verdediging verzocht) verhoor door een rogatoire commissie mogelijk was geweest.
Als het nodig is om de getuige bereidwillig te maken, kan dat betekenen dat deze business class mag vliegen en een aantal dagen verblijf in Nederland wordt vergoed om het land als toerist te kunnen bezoeken.
Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 15 januari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:709. In deze zaak werd een vergoeding van € 32,50 per uur toegekend.
Zie bijvoorbeeld Rb. Alkmaar 7 september 2006, ECLI:NL:RBALK:2006:AY7737.
EHRM 24 april 2012, appl.no. 1413/05 (Sibgatullin/Rusland), § 56; EHRM 27 januari 2011, appl.no. 42224/02 (Krivoshapkin/Rusland), § 48 en 60.
Onderdeel 10 van de conclusie van AG Knigge bij HR 9 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7721; onderdeel 3.4 van de conclusie van AG Bleichrodt bij HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4944.
Aard van de zaak
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot de invoering van het criterium, merkte de Minister van Justitie op dat de aard van de zaak een van de aspecten is die in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de termijn.1 Hij legde echter niet uit op welke manier de aard van de zaak van belang kan zijn bij de beslissing van de rechter. ag Vegter legde in een conclusie het verband met de opgelegde straf. Hij constateerde dat het gerechtshof de feiten ernstig heeft gevonden en dat dit tot uitdrukking kwam in de hoogte van de opgelegde vrijheidsstraf en in de motivering daarvan.2 Ook in de EHRM-jurisprudentie is deze factor een aantal malen genoemd.3
Belang van de getuigenverklaring
Uit de memorie van toelichting blijkt ook dat bij de toepassing van het criterium een afweging moet worden gemaakt tussen het belang van een doelmatige en snelle procesvoering en het belang van de verdachte bij een succesvolle verdediging.4ag Knigge merkte daarover in een conclusie op:
‘Ik merk daarbij nog op dat de weigeringsgrond van art. 288 lid 1 sub a Sv (oud) vooronderstelt dat de verdediging (...) een redelijk belang heeft bij het horen van de getuige. Door processuele overmacht echter kan aan dat belang geen recht worden gedaan. Van een ’vrije’ belangenafweging is dan ook geen sprake. Voorop staat de onmogelijkheid om de getuige binnen een aanvaardbare termijn op de zitting te horen. Om absolute overmacht gaat het evenwel niet. Het relatieve karakter van de overmacht komt in de term ’aanvaardbaar’ tot uitdrukking. De belangen die op het spel staan, kleuren het oordeel of (langdurig) uitstel aanvaardbaar is. In dat kader komt ook enig gewicht toe aan de vraag hoe groot het concrete verdedigingsbelang is.’5
In de memorie van toelichting is ook ‘het belang van de getuigeverklaring voor de door de rechter te nemen beslissing’ genoemd als relevante beoordelingsfactor.6 In de jurisprudentie van de Hoge Raad is het belang van de getuigenverklaring een enkele keer expliciet aan de orde gekomen als relevante beoordelingsfactor.7 Is een getuigenverklaring van grote betekenis, dan zal vertraging in de strafzaak sneller acceptabel zijn dan wanneer het belang kleiner is. Hoe groot het belang daadwerkelijk is, kan pas achteraf worden vastgesteld door de rol van de getuigenverklaring in de bewijsconstructie te onderzoeken. Dat maakt het lastig om met deze factor rekening te houden bij de beoordeling van een getuigenverzoek. In veel gevallen zal echter kunnen worden vermoed dat een getuigenverklaring belangrijk zal zijn voor de onderbouwing van een mogelijke bewezenverklaring. Betreft het inderdaad een belangrijke getuigenverklaring, dan is het overigens mogelijk dat de verdediging desondanks door het afwijzen van het getuigenverzoek niet wezenlijk in haar belangen wordt geschaad. Dat zal het geval zijn wanneer de getuige reeds eerder in het bijzijn van de verdediging is gehoord en geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die aanleiding zouden moeten geven tot een nieuw verhoor.
Behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn
De Minister van Justitie heeft aangegeven dat bij de toepassing van het criterium of aannemelijk is dat de getuige binnen aanvaardbare termijn ter zitting zal verschijnen, een belangenafweging mag worden gemaakt: het belang van berechting binnen een redelijke termijn mag worden afgewogen tegen het verdedigingsbelang van de verdachte.8 In NJ 2000, 126 had het gerechtshof afgezien van hernieuwde oproeping van een getuige en daarbij onder meer overwogen dat de procedure tot dan toe al lang had geduurd en de redelijke termijn voor behandeling in hoger beroep bijna was verstreken. De Hoge Raad vond dat een begrijpelijke overweging.9 Dat was om twee redenen opmerkelijk. In de eerste plaats had de getuige, die zich in Oekraïne bevond, op de tweede oproeping gereageerd met de mededeling dat zij bereid was te worden ondervraagd wanneer haar reis- en verblijfskosten zouden worden vergoed. Er was dus geen sprake van een onmogelijkheid om de getuige over te laten komen voor verhoor. In de tweede plaats had de verdediging aangegeven dat zij geen bezwaar had tegen overschrijding van de termijn. ag Jörg vond dat het gerechtshof daarmee terecht geen rekening had gehouden. Hijmeende dat de rechter zelfstandig als taak heeft om te waken tegen termijnoverschrijding. Het overschrijden van de redelijke termijn zal mijns inziens niet snel leiden tot een schending van het recht op behandeling binnen een redelijke termijn, omdat bij de beoordeling daarvan relevant is of een procedure langer heeft geduurd door toedoen van de verdediging.10 Het EHRM is weliswaar ook gevoelig voor het argument van dreigende termijnoverschrijding, maar heeft tevens aangegeven dat een langere termijn soms moet worden geaccepteerd, in het bijzonder wanneer het belangrijke getuigenverklaringen betreft en de strafbedreiging hoog is. In dat geval kan vergoeding van reiskosten ook in de rede liggen.11 Overigens kan voortvarendheid van de procedure ook buiten de kaders van artikel 6evrm van belang zijn.12
Vergoeding van reiskosten en gederfde inkomsten
Het verschijnen bij een ondervraging zal in veel gevallen kosten met zich brengen. De getuige zal naar de plaats van verhoor moeten reizen en hij zal gedurende de tijd die het verhoor in beslag neemt, niet kunnen werken. Hij heeft recht op vergoeding van deze kosten.13 Dit is geregeld in de Wet tarieven in strafzaken. Artikel 1 lid 3 van deze wet stelt dat bij verzoeken van de verdediging de verdediging de kosten moet dragen.14 Ten aanzien van een verzoek tot oproeping van een belastende getuige leidt dit tot een mijns inziens onredelijke uitkomst: de officier van justitie heeft de belastende getuigenverklaring in het dossier gevoegd en het is dan ook zijn taak de verdediging in staat te stellen de getuige te ondervragen.15 Zou de verdediging de kosten daarvan moeten dragen, dan zou zij wellicht om die reden afzien van het doen van een getuigenverzoek, hoewel goede redenen kunnen bestaan om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de getuigenverklaring.
In het algemeen mag worden aangenomen dat reis- en verblijfkosten geen belemmering mogen zijn voor een getuigenverhoor.16 De wettelijke regeling is echter niet zodanig dat getuigen erdoor zullen worden gestimuleerd om gevolg te geven aan een oproeping. Ten eerste bedraagt de vergoeding voor ‘tijdsverzuim’ volgens artikel 8 lid 1 sub e van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 € 6,81 per uur. Dat is aanzienlijk lager dan het gemiddelde loon in Nederland.17 Kosten van overnachting worden vergoed tot € 37,85 per dag (art. 11 lid 1 sub c WTS). Voor buitenlandse getuigen kan dit laatste een aanleiding vormen om niet te verschijnen. Het vinden van een acceptabele overnachtingsplaats voor dit bedrag is immers haast onmogelijk.18
Tussen de wettelijke regeling en de praktijk lijken grote verschillen te bestaan.19 Met het laten overkomen van een getuige zijn voor de overheid aanzienlijk minder kosten gemoeid dat met het reizen naar een ander land om de getuige daar te horen. Mij is verteld dat om deze reden de rechter-commissaris soms besluit om de getuige een vergoeding van de reële reis- en verblijfkosten aan te bieden, ongeacht of de getuige op verzoek van de verdediging of van de overheid wordt gehoord.20 Gederfde inkomsten worden weliswaar vergoed volgens het wettelijke tarief van € 6,81, maar tegen de beschikking waarbij deze vergoeding wordt toegekend kan op grond van art. 8 lid 2 WTS bezwaar worden gemaakt bij de voorzieningenrechter. Sommige voorzieningsrechters kennen aan zelfstandige ondernemers, die aan hun klanten een uurtarief in rekening brengen, een vergoeding toe op basis van redelijkheid.21 Anderen houden vast aan de wettelijke regeling.22 Van een uniforme toepassing van de wettelijke regeling is derhalve geen sprake.
Het ehrm heeft een aantal malen geoordeeld dat de vergoeding van reiskosten van een getuige door de overheid geen onneembare hindernis was bij het creëren van een ondervragingsgelegenheid, aangezien de getuigenverklaring van beslissende betekenis was en de verdachte een hoge straf riskeerde.23 De Nederlandse wettelijke regeling is van toepassing op alle getuigenverzoeken, ongeacht de relevantie en het gewicht van de getuigenverklaring en ongeacht de strafbedreiging. Volgens de regeling komen de kosten van oproeping van getuigen op verzoek van de verdediging in alle gevallen voor rekening van de verdediging. Hoewel in de praktijk de overheid kosten van getuigen dikwijls overneemt, bestaat geen garantie dat dit altijd gebeurt. Het is denkbaar dat de onbereidwilligheid van de overheid om de kosten te dragen – met een redelijke vergoeding voor de getuige – in een Straatsburgse procedure zou leiden tot de conclusie dat geen goede reden heeft bestaan voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
Het verdient aanbeveling om de wettelijke regels met betrekking tot onkostenvergoedingen aan getuigen te heroverwegen.
Proceshouding van de verdediging
Wanneer ook de verdediging meent dat een nieuwe oproeping nutteloos zou zijn, zal de Hoge Raad vermoedelijk eerder aannemen dat dit inderdaad het geval is. Verschillende advocaten-generaal hebben deze omstandigheid in hun conclusies betrokken.24