Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.2.3.6
11.2.3.6 De uitleg van het HvJ EU
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940203:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 8.2.2.1. Zie paragraaf 7.3.7.3.1 voor de situaties waarin het EU-recht van toepassing is.
HvJ EU 2 februari 2021, nr. C-481/19, V-N 2021/9.18.
De bepalingen waarop de boetes waren gebaseerd, kwamen voort uit de implementatie van Richtlijn 2003/6/EG (die later is vervangen door Verordening 596/2014), zodat het EU-recht van toepassing was (zie HvJ EU 2 februari 2021, nr. C-481/19, V-N 2021/9.18, r.o. 1-13).
Zie daarover paragraaf 8.2.2.1 en paragraaf 3.5.2.3. De aansluiting bij het EHRM blijkt duidelijk uit r.o. 37-40 van HvJ EU 2 februari 2021, nr. C-481/19, V-N 2021/9.18.
Het HvJ EU maakt in het kader van de onderhavige mededingingsregels een onderscheid tussen het beboeten van ondernemingen en natuurlijke personen (HvJ EU 2 februari 2021, nr. C-481/19, V-N 2021/9.18, r.o. 48).
HvJ EU 2 februari 2021, nr. C-481/19, V-N 2021/9.18, r.o. 45.
Vgl. in dit verband ook paragraaf 11.4.2.3.
HvJ EU 2 februari 2021, nr. C-481/19, V-N 2021/9.18, r.o. 49-56.
HvJ EU 2 februari 2021, nr. C-481/19, V-N 2021/9.18, r.o. 57.
Zie paragraaf 11.2.3.4.
In situaties waarin het EU-recht van toepassing is, kan dat EU-recht een aanvullende werking hebben op de waarborgen van art. 6 EVRM.1 Begin 2021 heeft het HvJ EU een arrest gewezen, waarin de toepassing van het nemo tenetur-beginsel centraal stond.2 De Italiaanse beurstoezichthouder had een tweetal bestuurlijke boetes (van € 200.000 en € 100.000) opgelegd vanwege handel met voorwetenschap.3 Daarnaast had de boeteling ook een bestuurlijke boete van € 50.000 gekregen omdat hij tijdens zijn verhoor geweigerd had om de hem gestelde vragen te beantwoorden. De vraag was of die laatste boete door de beugel kon.
Het is geen verrassing dat het HvJ EU bij de beantwoording van die vraag de uitleg die het EHRM aan het nemo tenetur-beginsel heeft gegeven, als richtsnoer heeft genomen.4 Het HvJ EU concludeerde op basis daarvan dat het zwijgrecht zich inderdaad verzet tegen het opleggen van een sanctie aan een natuurlijke persoon5 vanwege de weigering om de bevoegde autoriteit antwoorden te geven waaruit zou kunnen blijken dat hij – kort gezegd – schuldig is aan een feit dat met een bestuurlijke boete of met strafrechtelijke vervolging wordt bedreigd.6 Hoewel het EU-recht de lidstaten verplicht om sancties vast te stellen ter zake van de weigering om mee te werken aan een onderzoek in het kader van marktmisbruik,7 geldt die verplichting niet in gevallen waarin de te geven antwoorden incriminerend kunnen worden gebruikt, aldus het HvJ EU.8 Sterker nog, de lidstaten moeten ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteit een natuurlijke persoon geen sanctie kan opleggen voor zijn weigering om aan deze autoriteit antwoorden met een potentieel incriminerend karakter te verstrekken.9
Deze toepassing van het nemo tenetur-beginsel door het HvJ EU is naar mijn mening in lijn met de toepassing door het EHRM. In het berechte geval was duidelijk dat de boete vanwege de weigering om te antwoorden was opgelegd na aanvang van een criminal charge (het betrof een verhoor in verband met de handel met voorwetenschap). Daarnaast ging het om ‘echte’ eigen verklaringen (antwoorden op vragen) en dus om wilsafhankelijk materiaal. Uit de omvang van de opgelegde boete (€ 50.000) volgt dat de strafdreiging aanzienlijk was (zodat ook de vereiste dwang aanwezig was). Aan alle voorwaarden voor het kunnen inroepen van het zwijgrecht was dus voldaan en beboeting vanwege de weigering om te verklaren is dan ook volgens het EHRM ontoelaatbaar.10