Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/6.3.3.d.iv
6.3.3.d.iv Een parallel lopende procedure ter betwisting van het kapitaalbelang
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS594202:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 12 maart 1992 (ro. 3.6), NJ 1992/662 (Confectiecentrum).
Maeijer (onder NJ 1992/662) acht de formulering ‘dat het bij voorbaat niet geheel onwaarschijnlijk is dat’ te zwak. Hij pleit voor een strengere norm zoals ‘bij voorbaat waarschijnlijk c.q. redelijkerwijs te verwachten’ of ‘grote kans dat’. Aldus ook Van Vliet (1999), p. 58; Storm (2014), p. 298. Anders: Slagter (1994a), p. 217. Hij ziet liever dat de OK de eiser niet-ontvankelijk verklaart, omdat deze het vereiste kapitaal niet ‘definitief’ houdt, zie hiervoor onder iii.
OK 6 april 1995 (ro. 3.4), TVVS 1996, p. 173-174 (Molenschot).
OK 3 maart 1994, rolnr. 128/93, n.g. (Evodam Beheer).
De vraag of de OK bij de berekening van kapitaalvereiste rekening moet houden met toekomstige ontwikkelingen, speelt ook wanneer gelijktijdig met de uitkoopprocedure een procedure aanhangig is met betrekking tot de betwisting van het aandelenbelang van de uitkoper.
Deze situatie doet zich voor in de uitkoopprocedure inzake Confectiecentrum uit 1992. Parallel met de uitkoopprocedure loopt een procedure bij de rechtbank inzake de geldigheid van een door de raad van commissarissen verleende toestemming, waardoor de uitkoper zijn meerderheidsbelang heeft verkregen. De OK houdt daarop de uitkoopprocedure aan totdat door de rechtbank is beslist. Zij overweegt het volgende:
“In aanmerking nemend dat het bij voorbaat niet geheel onwaarschijnlijk is dat de bij de rechtbank aanhangige vorderingen een kans van slagen hebben, acht het hof het niet in overeenstemming met de door partijen als aandeelhouders van een vennootschap jegens elkander in acht te nemen redelijkheid en billijkheid dat eiseres reeds thans zou kunnen handelen alsof er geen bijl aan de wortels van het bevoegdheid aandeelhouder te zijn ware gelegd.
(…)
Het hof acht derhalve termen aanwezig deze zaak aan te houden totdat op de hiervoor bedoelde vorderingen van gedaagde door de rechtbank zijn beslist…”1(cursivering TS)
De beslissing van de OK acht ik goed verdedigbaar.2 Wel moet zij terughoudend zijn met het aanhouden van uitkoopzaken om onnodige vertraging te voorkomen.
In een vergelijkbare zaak een aantal jaar later, voert de gedaagde aan dat de uitkoper niet-ontvankelijk is omdat zijn meerderheidsbelang het gevolg is van nietige aandelenemissies. De OK gaat voorbij aan dit verweer omdat de kans dat de gedaagde in een bodemprocedure gelijk krijgt ‘zeer gering’ is.3 In de Evodam Beheer-zaak houdt de OK de procedure evenmin op verzoek aan, omdat de termijn voor het instellen van vordering tot vernietiging van een voorafgaand besluit tot emissie reeds verstreken is.4