Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.4.5.1
9.4.5.1 Algemene beschouwing verkooporder
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258668:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Indien een verkooporder als verkoop voor uitvoer wordt aangemerkt, kan worden betoogd dat de eerst geplaatste verkooporder juist als eerste verkoop voor uitvoer kwalificeert. Immers, indien wordt afgegaan op de datum waarop de transactie is gesloten, is de verkooporder niet de laatste maar eerste verkoop voor uitvoer. Dit is ook de zienswijze van de Australian Customs and Border Protection Service, zie in dat kader onderdeel 9.5.2. Een tegengesteld visie luidt dat het voor het last-sale principe van belang is om te kijken naar de laatste keten in de goederenketen waar reeds voor het fysiek binnenbrengen van de goederen een transactie heeft plaatsgevonden die als verkoop voor uitvoer kan worden aangemerkt.
De daadwerkelijk geleverde producten zijn wellicht al onderweg of opgeslagen in een opslag gelegen op het grondgebied van de Europese Unie.
HvJ EEG 6 juni 1990, nr. C-11/89 (Unifert Handels GmbH tegen Hauptzollamt Münster), ECLI:EU:C:1990:237, r.o. 11.
Zie onderdeel 7.4. Een en ander is ook door het Hof van Justitie onderkend, zie HvJ EU 12 december 2013, nr. C-116/12 (Ioannis Christodoulou e.a. tegen Elliniko Dimosio), ECLI:EU:C:2013:825, r.o. 45.
In onderdeel 7.4.2.3 is de reikwijdte van het begrip verkoop in douanerechtelijke zin uitgebreid besproken. In dat kader kwam ook het Hauptzollamt Karlsruhe tegen Gebrüder Hepp GmbH & Co. KG.-arrest aan bod. In deze zaak komt de vraag op of een agent die diensten verricht voor rekening van de koper in feite aangemerkt moet worden als partij bij de verkoopovereenkomst. Het Hof van Justitie overwoog in dat kader dat de koper het financiële risico draagt van de ingevoerde goederen en de inkoopagent enkel als bemiddelaar heeft opgetreden ten aanzien van de totstandkoming van het contract tussen de verkoper en koper. Ik leid daaruit af dat het financiële risico essentieel is voor het aanmerken van een transactie als verkoop in douanerechtelijke zin. HvJ EEG 25 juli 1991, nr. C-299/90 (Hauptzollamt Karlsruhe tegen Gebrüder Hepp GmbH & Co. KG.), ECLI:EU:C:1991:334, r.o. 14.
Een verkooporder betreft een commercieel document dat tot stand komt tussen de koper en verkoper van een goed. In de verkooporder is veelal een indicatie opgenomen van het type en de hoeveelheid af te nemen goederen alsmede een indicatie van de prijs. De verkooporder stelt de verkoper onder andere in staat zijn aankoopverloop te beheersen. Afhankelijk van de voorwaarden die de partijen onderling afspreken kan bij een verkooporder sprake zijn van een definitieve overeenkomst tot aankoop van goederen, maar ook ‘slechts’ van een voornemen tot aankoop.
In de handelspraktijk is het gebruikelijk dat gebruik wordt gemaakt van back-to-back ordering. In een X-A-B-Y-keten worden in zo’n geval volgtijdelijk orders geplaatst door afnemer Y bij handelaar B, door handelaar B bij handelaar A en door handelaar A bij fabrikant X (figuur 9.6). Daaropvolgend komen de verkopen tot stand tussen fabrikant X en handelaar A, handelaar A en handelaar B en tussen handelaar B en afnemer Y. Vaak worden de goederen wel rechtstreeks van fabrikant X naar afnemer Y overgebracht. Bij back-to-back ordering beschikt handelaar B dus nog niet over de goederen als afnemer Y een order plaatst. De reden dat handelaar B nog niet beschikt over het goed kan diverse redenen hebben. Het kan bijvoorbeeld zijn dat zijn voorraad onvoldoende is om gelijk aan zijn leveranciersverplichtingen jegens afnemer Y te voldoen. De vraag die daarbij opkomt, is of de order van afnemer Y aan handelaar B al kwalificeert als verkoop voor uitvoer. In de praktijk lijkt een aantal douaneautoriteiten, waaronder de Nederlandse, hiervan voorstander. Het gevolg hiervan is dat in het voorbeeld zoals opgenomen in figuur 9.6, de transactie tussen handelaar B, gevestigd in Marokko, en afnemer Y, gevestigd in Duitsland, de basis vormt voor de vaststelling van de transactiewaarde ter bepaling van de douanewaarde. Dat de factuurdatum pas na het moment dat de goederen fysiek het douanegebied van de Europese Unie zijn binnengebracht plaatsvindt, zou, indien dit standpunt wordt gehuldigd, niet ter zake doen.1 Ik kan mij niet vinden in dit standpunt. Ten eerste zal niet altijd (vooral bij B2C-orders) een directe link kunnen worden gelegd tussen de goederen in de verkooporder en de ingevoerde goederen.2 Ten tweede staat bij het plaatsen van een verkooporder niet per definitie vast dat de goederen vanuit een derde land naar het douanegebied van de Europese Unie zullen worden gebracht, wat, afgeleid uit het arrest Unifert Handels GmbHtegen Hauptzollamt Münster, wel een voorwaarde lijkt om een transactie als verkoop voor uitvoer aan te merken.3 Ten derde zullen de douaneautoriteiten moeilijkheden ondervinden indien zij een controle na invoer instellen in de zin van artikel 48 DWU. De daarin aan de douaneautoriteiten gegunde bevoegdheid strekt zich uit tot:
[…]
Deze controles kunnen worden verricht bij de houder van de goederen of zijn vertegenwoordiger, bij elke persoon die beroepshalve direct of indirect bij deze transacties is betrokken, en bij elke andere persoon die beroepshalve over die documenten en gegevens beschikt.
Een partij die een verkooporder plaatst in de goederenketen, maar niet als importeur of vertegenwoordiger betrokken is bij de invoertransactie lijkt in een controle betrokken te kunnen worden als zij wordt gevangen door het zinsdeel ‘andere persoon die beroepshalve over die documenten en gegevens beschikt’. Ik vind dat een verregaande oprekking van dit onderdeel van voornoemd wetsartikel. Indien een verkooporder als verkoop voor uitvoer wordt aangemerkt, zou dit ertoe kunnen leiden dat een derde partij, die geen weet heeft dat de goederen die hij verkrijgt (ooit) zijn onderworpen aan een goederenbeweging van een derde land naar de Europese Unie, onderworpen wordt aan controles van de douaneautoriteiten.
Mochten de hiervoor genoemde argumenten er niet aan in de weg staan om een verkooporder als verkoop voor uitvoer aan te merken, dan moet worden vastgesteld of überhaupt het financiële risico over de goederen overgaat op degene die de verkooporder plaatst. Hoewel een verkoop in douanerechtelijke zin ruim moet worden uitgelegd,4 lijkt het voor een transactie om als verkoop voor uitvoer te worden aangemerkt namelijk een randvoorwaarde dat ten minste het financiële risico over de ingevoerde goederen overgaat van de verkoper op de koper (onderdeel 7.4.2.3).5 Bij een verkooporder zal het financiële risico in de praktijk niet gelijk overgaan op de uiteindelijk afnemer. Ten eerste omdat degene die de verkooporder krijgt uitgereikt niet de goederen onder zich heeft en derhalve in mijn optiek het financiële risico niet kan overdragen. Ten tweede hangt een en ander af van de omstandigheden van de verkoop en in het bijzonder de afspraken die zijn vervat in de contractuele afspraken tussen de koper die de verkooporder plaatst en de leverancier. Belangrijke vragen zijn daarbij bijvoorbeeld of de partij die de verkooporder plaatst nog onder de verkoop uit kan zonder boetebeding/(partiële) betaling van het aankoopbedrag en of zij financieel risico loopt bij beschadiging of verlies van de goederen. Indien geen financieel risico wordt gelopen, kan een verkooporder mijns inziens niet als verkoop voor uitvoer kwalificeren. Voor de analyse of financieel risico wordt gelopen, zal met name een contractuele analyse nodig zijn, waarbij in het bijzonder leveringsvoorwaarden (Incoterms, zie onderdeel 11.7.4) en andere bepalingen op basis waarvan het tijdstip bepaald wordt waarop het risico overgaat van belang zijn.
Figuur 9.6 – Verkooporder als verkoop voor uitvoer