Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.6:15.6 Problemen bij de toepassing van de tegenbewijsregeling
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.6
15.6 Problemen bij de toepassing van de tegenbewijsregeling
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232879:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragrafen 14.3.6.6.2 en 14.3.6.6.3 heb ik een tweetal problemen bij de toepassing van de tegenbewijsregeling van artikel 2.14a Wet 2001 gesignaleerd:
De tegenbewijsregeling houdt geen rekening met de mogelijkheid dat een erfgenaam slechts een rechtens afdwingbare aanspraak heeft jegens het APV, maar geen begunstigde is van het discretionaire deel van het APV: deze erfgenaam kan het tegenbewijs niet leveren en krijgt dus vermogen toegerekend dat zelfs in theorie niet aan hem uitgekeerd kan worden.
Het is onduidelijk hoe moet worden omgegaan met een erfgenaam die op het moment van overlijden van de inbrenger begunstigde was van het APV, maar op een moment nadien definitief ophoudt begunstigde te zijn. Redelijkerwijs kan het tegenbewijs dan alsnog geleverd worden, maar dit is niet duidelijk. Daarnaast zou voor een sluitende regeling nodig zijn dat het aandeel in het APV-vermogen, dat niet langer wordt toegerekend aan de uitgesloten erfgenaam, vanaf dat moment wordt toegerekend aan een ander. In een dergelijke verschuiving van de toerekening is derhalve niet voorzien. Tevens rijst de vraag of een verschuiving in de toerekening aanleiding zou moeten geven tot belastingheffing.
In beide gevallen is mijns inziens sprake van een knelpunt, dat zijn oorsprong vindt in een juridische onvolkomenheid in de wetgeving. In het geval van beperkte begunstiging betreft dit een voor de belastingplichtige ongerijmd effect (categorie 3(a)) en in geval van een mutatie in de groep begunstigde betreft dit onduidelijkheden in de wetgeving (categorie 2(b), alsmede een leemte in de wetgeving (categorie 3(b)). De gesignaleerde knelpunten zouden naar mijn mening als volgt opgelost kunnen worden:
De samenloop van de tegenbewijsregeling van artikel 2.14a lid 6 Wet IB 2001 met een erfgenaam die beperkt begunstigde is van het APV, omdat hij slechts een afdwingbare aanspraak heeft en overigens niets kan ontvangen, lijkt mij relatief eenvoudig oplosbaar. Het probleem ontstaat doordat ook het hebben van uitsluitend een afdwingbare aanspraak de erfgenaam tot begunstigde maakt, zodat het tegenbewijs niet geleverd kan worden. Indien aan artikel 2.14a lid 6 Wet IB 2001 wordt toegevoegd dat bij de bepaling of een erfgenaam (of zijn partner) begunstigde is van het APV of dat kan worden geen rekening wordt gehouden met rechtens afdwingbare aanspraken, dan zou het tegenbewijs goed moeten verlopen: degenen met slechts een afdwingbare aanspraak kunnen – terecht – het tegenbewijs leveren en degenen die (tevens) begunstigde zijn van het discretionaire deel van het APV kunnen het tegenbewijs niet leveren en aan hen vindt derhalve de toerekening plaats.
In geval van een mutatie in de klasse van begunstigden, in de zin dat een erfgenaam, die begunstigde van het APV is, definitief als zodanig wordt geschrapt, doen zich meerdere vragen voor:
Kan alsnog het tegenbewijs geleverd worden? In paragraaf 14.3.6.6.3 heb ik betoogd dat dit mogelijk zou moeten zijn, maar deze onduidelijkheid dient weggenomen te worden door dit expliciet te bepalen in de tekst van artikel 2.14a lid 6 Wet IB 2001.
Aannemend dat alsnog het tegenbewijs alsnog geleverd kan worden, leidt de resulterende verschuiving in de toerekening dan voor degene(n) aan wie een groter deel van het APV-vermogen wordt toegerekend tot een belastbare verkrijging in de zin van de Successiewet? In paragraaf 14.4.4 ben ik hier reeds op ingegaan, met samengevat de volgende conclusies:
Er is geen sprake van een belastbare schenking door de erfgenamen die alsnog wordt uitgesloten als begunstigde aan de andere erfgenamen.
Deze situatie vertoont parallellen met bijvoorbeeld de vervulling van een voorwaarde, in welk geval ook de een ophoudt verkrijger te zijn en een ander in diens plaats verkrijgt. In die gevallen is geregeld dat enerzijds schenk- of erfbelasting gerestitueerd wordt en anderzijds alsnog geheven kan worden. Een dergelijke benadering in het geval van een mutatie in de klasse van begunstigden lijkt mij redelijk, maar dient de wet gewijzigd te worden om daarin te voorzien.
Concluderend leidt de toepassing van de tegenbewijsregeling tot meerdere knelpunten, die het gevolg zijn van onvolkomenheden in de wetgeving. Een wijziging van de wet is nodig om deze onvolkomenheden te verhelpen.