Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/2.2.1
2.2.1 Burger van Sparta of van Athene: eenzelfde verschijnsel, verschil in uitwerking
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181189:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Riesenberg 1992, p. 7. In de woorden van Riesenberg: “Moreover, Sparta never produced a Thukydides to put self-serving words in the mouth of a Pericles, nor a class of articulate and disputatious men whose interest in ideas and institutions makes them look like prototypes of English Parliamentarians or American Founders. Further, it appeared that Sparta was hardly a city in any meaningful sense, but rather an agricultural community with peculiar institutions that could not possibly have contributed anything to the roots we search for in our past.”
Riesenberg 1992, p. 7.
Riesenberg 1992, p. 8.
Ibid.
In dit kader maakt Riesenberg een vergelijking tussen de volledige toewijding van een inwoner van Sparta aan de polis en de volledige toewijding van een monnik aan God en Zijn Koninkrijk. Riesenberg 1992, p. 8. Over het christelijk burgerschap, zie paragraaf 2.3 (‘Burgerschap en Gods Koninkrijk: de relatie tussen de burger en zijn aardse rechtsorde volgens de theologisch-christelijke literatuur’) van dit hoofdstuk.
De afkomst van Tyrtaios staat niet vast. Volgens Plato was Tyrtaios een Athener van geboorte, die de Spartanen te hulp was gezonden. Anderen, daarentegen, baseren dat standpunt op Atheens chauvinisme. W.J. Verdenius, ‘De relatie tussen Sparta en Delphi in de zevende eeuw. Speciaal met het oog op de dichters Tyrtaios, Terymdros en Thaletas’, Hermenevs, 39e jaargang, nr. 5, februari 1968, p. 121.
Zie nader over dit gedicht: Robert D. Luginbill, ‘Tyrtaeus 12 West: Come Join the Spartan Army’, The Classical Quarterly, Vol. 52, nr. 2, 2002, p. 405-414.
J.K. Bos, ‘Een fragment van Alkman’, Hermenevs, 39e jaargang, nr. 5, februari 1968, p. 101.
In het bijzonder het vers: “His shining glory is never forgotten, his name is remembered, / and he becomes an immortal, though he lies under the ground.”
Manville 1990, p. 134.
Om deze reden wordt burgerschap door Butenschøn gekarakteriseerd als ‘Janus- faced’. De reden daarachter is dat ‘to exclude people is as important as the function [of citizenship] to include [them]’. Nils. A. Butenschøn, ‘Citizenship and Human Rights. Some Thoughts on a Complex Relationship’, in: M. Bergsmo (red.), Human Rights and Criminal Justice for the Downtrodden. Essays in Honor of Asbjørn Eide, Martinus Nijhoff Publishers 2003, p. 558; E.M.H. Hirsch Ballin, Citizens’ rights and the right to be a citizen, Leiden/Boston: Brill 2014, p. 7.
De functie van archont betrof het ambt van bestuurder, gezagsdrager.
Riesenberg 1992, p. 12 e.v.; Manville 1990, p.124 e.v.
Riesenberg 1992, p. 15.
H. Beliën en F. Meijer, Een kleine geschiedenis van de klassieke oudheid, Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker 2012.
Ibid.
Ibid.
Ibid. De voornaamste wapens van een hopliet waren een rond schild van hout en een lans. Hierin klinkt door dat militair belang tevens een hoogwaardig belang was in het Atheense burgerschap.
Andere hervormingen onder Solon waren bijvoorbeeld de instelling van volksrechtbanken met juryrechtspraak en de instelling van de zogenoemde ‘Raad van Vierhonderd’, die was samengesteld uit mensen uit de hoogste vermogensklasse. Ibid.
Manville 1990, p. 134.
Ibid. De indeling van de burgerij in vier vermogensklassen bracht de staatsvorm timocratie met zich. Naar deze staatsinrichting geeft een bepaald vermogen recht op zitting en deelname in het bestuur van de polis.
Riesenberg 1992, p. 18.
Ibid. Daarnaast werd de door Solon opgerichte Raad van Vierhonderd vermeerderd door Kleisthenes naar de Raad van Vijfhonderd. Riesenberg 1992, p. 22.
Riesenberg 1992, p. 18. In de woorden van Manville: “Whereas Solon had defined a citizenship for all Athenians, it was Kleistenes who defined it for each individual throughout Attika, and thus provided an even firmer legal identity for both the community and its members. At the same time, new boundaries were added to that identity which distinguished more sharply the Athenian from the non-Athenian, and marked out the citizen’s status as more valuable than ever before. Kleisthenes’ revolution was a triumph for citizenship, but one that was hardly inevitable.” Manville 1990, p. 137. Zie nader over het Atheense burgerschap: J. Blok, Citizenship in Classical Athens, Cambridge: Cambridge University Press 2017.
De naam van Perikles is tevens opgedoken in de poging om een Europese Grondwet tot stand te brengen. De openingszin van een eerdere versie van de preambule bij het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa luidde: “Onze Constitutie… wordt democratisch genoemd, omdat de macht niet in de handen is van een minderheid, maar van de grootst mogelijke meerderheid. Thukydides II, 37.” Deze zin, die afkomstig is uit De Peloponnesische Oorlog van Thukydides met daarin de grafrede van Perikles, is onder het Ierse voorzitterschap geschrapt uit de preambule, tot ongenoegen van onder meer Griekenland en Cyprus.
Riesenberg 1992, p. 23.
Of deze redevoering daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is niet zeker. De directe bron van de redevoering is de klassieke geschiedschrijver Thukydides. Riesenberg 1992, p. 23 e.v.
Riesenberg 1992, p. 25.
De militaire toewijding aan de polis kennen wij van het Spartaanse burgerschap, zoals blijkt uit het gedicht van Tyrtaios.
Riesenberg 1992, p. 26.
Ibid.
Een andere, niet onbelangrijke reden om een blik te werpen op de Romeinse Republiek is de omstandigheid dat de Republiek Machiavelli’s referentiepunt is in zijn Discorsi, zoals zal blijken in paragraaf 2.4.3 (‘De burger in een wankelend Europa: Guicciardini en Machiavelli’).
Twee bekende poleis van ‘Hellas’ waren Sparta en Athene. De strijd tussen deze twee poleis bepaalde decennialang de verhoudingen op het Griekse grondgebied. De verschillen in de samenstelling en tradities tussen deze twee poleis zorgden tevens voor een verschil in de benadering van burgerschap. Aan het Spartaanse burgerschap wordt thans doorgaans minder aandacht besteed dan aan het Atheense burgerschap. Een reden daarvoor is dat er minder geschriften en fragmenten over het Spartaanse burgerschap bewaard zijn gebleven dan over het Atheense burgerschap.1 Het onderbelichte karakter van het Spartaanse burgerschap hangt vermoedelijk ook samen met de wijze waarop het Spartaanse burgerschap was ingekleurd. Zoals hierna zal blijken, bevatte het sterke militaire componenten en die nadruk past minder goed in de huidige westerse uitleg van burgerschap. Een andere verklaring voor het schaarse materiaal over het Spartaanse burgerschap is dat met name in de westerse democratieën historisch onderzoek naar militaire mogendheden in de klassieke oudheid – zoals Sparta – veelal achterwege is gebleven.2
Niettemin heeft het Spartaanse burgerschap bijgedragen aan zeker één element van het burgerschapsbegrip, namelijk de (militaire) toewijding aan het publieke belang van de polis.3 De toewijding aan het publieke is door menigeen omschreven als de volwaardige dedicatie aan een militaire carrière in het belang van Sparta.4 Waar het Atheense burgerschap ruimte liet voor kunstzinnige en commerciële activiteiten, was de focus van het Spartaanse burgerschap op oorlog en militaire toewijding aan de polis.5 Er is en zou geen andere afleiding (moeten) bestaan voor de Spartaanse burger die zijn leven in het teken diende te stellen van de polis. Deze militaire gedachte achter het Spartaanse burgerschap wordt krachtig samengevat door de zevende-eeuwse (vermoedelijk) Spartaanse dichter Tyrtaios6 in zijn befaamde gedicht Code of the Citizen Soldier.7 Het voor dit hoofdstuk relevante deel luidt:
Tyrtaios, 12:10-34W
οὐ γὰρ ἀνὴρ ἀγαθὸς γίνεται ἐν πολέμωι εἰ μὴ τετλαίη μὲν ὁρῶν φόνον αἱματόεντα, καὶ δηίων ὀρέγοιτ᾽ ἐγγύθεν ἱστάμενος. ἥδ᾽ ἀρετή, τόδ᾽ ἄεθλον ἐν ἀνθρώποισιν ἄριστον κάλλιστόν τε φέρειν γίνεται ἀνδρὶ νέωι.
For no man ever proves himself a good man in war unless he can endure to face the blood and the slaughter, go close against the enemy and fight with his hands. Here is courage, mankind’s finest possession, here is the noblest prize that a young man can endeavor to win,
15ξυνὸν δ᾽ ἐσθλὸν τοῦτο πόληΐ τε παντί τε δήμωι, ὅστις ἀνὴρ διαβὰς ἐν προμάχοισι μένηι νωλεμέως, αἰσχρῆς δὲ φυγῆς ἐπὶ πάγχυ λάθηται, ψυχὴν καὶ θυμὸν τλήμονα παρθέμενος, θαρσύνηι δ᾽ ἔπεσιν τὸν πλησίον ἄνδρα παρεστώς·
and it is a good thing his polis and all the people share with him when a man plants his feet and stands in the foremost spears relentlessly, all thought of foul flight completely forgotten, and has trained his heart to be steadfast and to endure, and with words encourages the man who is stationed beside him.
20οὗτος ἀνὴρ ἀγαθὸς γίνεται ἐν πολέμωι. αἶψα δὲ δυσμενέων ἀνδρῶν ἔτρεψε φάλαγγας τρηχείας· σπουδῆι δ᾽ ἔσχεθε κῦμα μάχης, αὐτὸς δ᾽ ἐν προμάχοισι πεσὼν φίλον ὤλεσε θυμόν, ἄστυ τε καὶ λαοὺς καὶ πατέρ᾽ εὐκλεΐσας,
Here is a man who proves himself to be valiant in war. With a sudden rush he turns to fight the rugged battalions of the enemy, and sustains the beating waves of assault. And he who so falls among the champions and loses his sweet life, so blessing with honor his polis, his father, and all his people,
25πολλὰ διὰ στέρνοιο καὶ ἀσπίδος ὀμφαλοέσσης καὶ διὰ θώρηκος πρόσθεν ἐληλάμενος. τὸν δ᾽ ὀλοφύρονται μὲν ὁμῶς νέοι ἠδὲ γέροντες, ἀργαλέωι δὲ πόθωι πᾶσα κέκηδε πόλις, καὶ τύμβος καὶ παῖδες ἐν ἀνθρώποις ἀρίσημοι
with wounds in his chest, where the spear that he was facing has transfixed that massive guard of his shield, and gone through his breastplate as well, why, such a man is lamented alike by the young and the elders, and all his polis goes into mourning and grieves for his loss. His tomb is pointed out with pride, and so are his children, and his children’s children,
30καὶ παίδων παῖδες καὶ γένος ἐξοπίσω· οὐδέ ποτε κλέος ἐσθλὸν ἀπόλλυται οὐδ᾽ ὄνομ᾽ αὐτοῦ, ἀλλ᾽ ὑπὸ γῆς περ ἐὼν γίνεται ἀθάνατος, ὅντιν᾽ ἀριστεύοντα μένοντά τε μαρνάμενόν τε γῆς πέρι καὶ παίδων θοῦρος Ἄρης ὀλέσηι.
and afterward all the race that is his. His shining glory is never forgotten, his name is remembered, and he becomes an immortal, though he lies under the ground, when one who was a brave man has been killed by the furious War God standing his ground and fighting hard for his children and land.
Tyrtaios, die begrijpelijkerwijs bekend staat als ‘de dichter van ijzeren tucht en grimmig geweld’, omschrijft de goede burger in termen van militaire toewijding aan de polis ten tijde van oorlog.8 Dit militaire burgerschap is volgens Tyrtaios niet eenzijdig, noch beperkt tot het gewapenderhand beschermen van de polis. Burgerschap – zoals naar voren komt uit in het bijzonder de laatste vier regels van het hiervoor opgenomen citaat – zorgt tevens voor eeuwige glorie en onsterfelijkheid.9 De Spartaanse burger kon derhalve ook rekenen op beloning voor zijn militaire toewijding. De beloning was in beginsel post mortem en had daarmee een transcendent karakter. De beloning kwam buiten de fysieke werkelijkheid tot uitdrukking.
De verschillen met het Atheense burgerschap waren aanzienlijk. De focus lag bij het Atheense burgerschap veeleer op de culturele ontwikkeling van de burger en zijn betrokkenheid bij de beslissingen die in de polis worden genomen. In Athene begonnen de eerste stappen richting de formalisering van het burgerschapsconcept reeds in de zevende eeuw voor Christus. Bij de codificatie van Drako in 620 v.Chr. werd een onderscheid gemaakt tussen Atheners enerzijds en xenoi, vreemdelingen, anderzijds. Deze codificatie bevatte een indicatie dat een onderscheid bestond tussen Atheners en niet-Atheners, waarbij eerstgenoemden een juridische status genoten die laatstgenoemden ontbeerden. Daarmee zou reeds vroeg een kenmerk van burgerschap naar voren treden, namelijk uitsluiting van degenen die niet deel uitmaken van het geheel door inclusie van degenen die wel deel uitmaken van dat geheel.10 Concrete uitspraken over de vraag op welke terreinen de draconische wetten een onderscheid maakten tussen Atheners en niet-Atheners kunnen helaas niet worden gedaan, aangezien historisch onderzoek naar de inhoud van deze draconische wetten weinig heeft opgeleverd.
Een overeenkomst tussen beide typen burgerschap is dat in beide poleis deze notie kan worden gezien als iets wat zowel beloont als uitsluit.11 Ten eerste de beloning. Zoals blijkt uit het hiervoor behandelde worden zowel de Atheense burgers als Spartaanse burgers beloond voor hun inzet ten behoeve van de polis. In Athene geschiedt de beloning doorgaans door middel van het verschaffen van rechten aan de burger; in Sparta zorgt de inzet voor glorie en onsterfelijkheid. Ten tweede de uitsluiting. De niet-Athener krijgt logischerwijs niet dezelfde rechten als de Athener. Dit geldt evenzo voor de vreemdeling in Sparta – hij verkrijgt geen glorie en onsterfelijkheid vanwege het ontbreken van zijn inzet voor de Spartaanse polis.
De geschetste eerste elementaire stappen in het burgerschapsbegrip met het onderscheid tussen burgers en niet-burgers, werden verder ontwikkeld in 594 v.Chr. – het jaartal waarin de hervormingen van archont12 Solon werden ingevoerd. Door sommige auteurs wordt Solon gezien als degene die als eerste burgerschap concretiseerde en formaliseerde.13 Solons doel was een samenleving tot stand brengen waarvan de leden akkoord gingen met de gemeenschappelijke doelen van de samenleving en verantwoordelijkheid droegen voor het voortbestaan van de samenleving. Dit doel is eens omschreven als eunomia – door dichter Tyrtaios getypeerd als een – “idea of “good order”… together with that of an appropriate distribution of wealth, power, and recourses within society”.14
Eunomia kon echter volgens Solon niet worden verwezenlijkt zonder de grondige hervormingen. In die tijd voerden de rijksten van Athene een hard beleid ten aanzien van schuldenaren. Iedere schuldenaar die zijn schulden niet kon aflossen, diende een zesde van de waarde van zijn land af te staan aan de rijksten. Een direct gevolg van dit beleid was dat boeren die hun schuld niet konden aflossen op den duur als slaaf in het buitenland werden verkocht.15 Deze ontwikkeling vond Solon niet wenselijk, en bovendien in strijd met de idee van eunomia, omdat zij volgens hem niet in het belang van de goede orde van de polis was.16 Een belangrijke hervorming van Solon in dit kader was de zogenoemde seisachteia – het afschudden van de lasten, met als gevolg dat de lokale boeren niet als slaaf konden werden verkocht in het buitenland. Een andere – voor dit proefschrift relevantere – hervorming onder Solon was de invoering van een nieuw politiek systeem waarbij de burgerij werd ingedeeld naar vermogen. Er werden in totaal vier vermogensklassen geïntroduceerd:
vermogensklasse 1: pentekosiomendimnoi (de aristocraten)
vermogensklasse 2: hippeis (de vermogende middenklasse)
vermogensklasse 3: zeugieten (de hoplieten)
vermogensklasse 4: theten (de landlozen)
De mensen die deel uitmaakten van deze vier vermogensklassen waren burgers van Athene. Iedere vermogensklasse had min of meer een eigen burgerschapsrechtencatalogus. De burgers van de eerste vermogensklasse hadden de meeste burgerschapsrechten, de burgers van de vierde vermogensklasse waren op enkele privileges na nagenoeg rechteloos. Het belangrijkste ambt van de archont kon bijvoorbeeld enkel worden uitgeoefend door de mensen uit de eerste vermogensklasse, de aristocraten. De tweede vermogensklasse vormde de vermogende middenklasse. Burgers van deze tweede vermogensklasse konden zich veroorloven een ruiter voor de strijd uit te laten rusten.17 De derde groep vormde de zeugieten, die zich een hoplietenwapenrusting konden veroorloven.18 De laagste vermogensklasse waren de theten, die geen land als bezit mochten hebben en minder rechten hadden dan de Atheners van de eerste drie vermogensklassen.19 Dat niet-burgers zich onder de theten bevonden en daarmee praktisch rechteloos waren, blijkt onder andere uit de omstandigheid dat het niet toegestaan was voor niet-Atheners om te werken op het marktplein.20 Dit verbod ontwikkelde zich later tot een plicht voor niet-Atheners om belasting te betalen indien zij werkzaamheden wensten te verrichten op het marktplein.21
De hervormingen van Solon duurden niet lang, omdat de tirannie onder de heerschappij van Peisistrates in 561 v.Chr. terug was in Athene en voortduurde tot 510 v.Chr. – het jaartal waarin de hervormingen van Kleisthenes vorm kregen.22 Kleisthenes’ bijdrage aan de institutie van burgerschap hield met name in dat hij grotere nadruk legde op de verplichtingen van de burger ten opzichte van de polis. De burger diende de polis niet louter te zien als de verschaffer van rechten en privileges, maar ook (of wellicht juist) als de behoeder van het leven van de burgers.23 En die laatste kwalificatie bracht ook verplichtingen met zich voor de burger, zo was de gedachtegang. Tegenover de bescherming die de burger genoot, kwamen verplichtingen, zoals het betalen van belastingen, te staan. Daarnaast hield Kleisthenes’ reorganisatie van burgerschap in dat de woonplaats als basis van burgerschap gold, en niet de omstandigheid dat men deel uitmaakte van een van de hiervoor door Solon geïntroduceerde vermogensklassen.24
In de antieke wereld heeft daarnaast Perikles een stempel mogen zetten op de wijze van verkrijging van het Atheense burgerschap.25 Onder deze staatsman passeerde in 451-450 v.Chr. een wet die ter verkrijging van het Atheense burgerschap als voorwaarde stelde dat zowel de vader als de moeder van degene die het burgerschap wilde verkrijgen, Atheens burger diende te zijn.26 Dit eeuwenoude principe staat thans bekend als het ius sanguinis- principe en wordt door de meeste staten als maatstaf aangewend ter toekenning van het staatsburgerschap. Eveneens belangrijk voor de ontwikkeling van het Atheense burgerschap is de grafredevoering27 die Perikles zou hebben gehouden aan het einde van het eerste jaar van de Peloponnesische oorlog. Dit conflict tussen Atheners en Spartanen speelde tussen 431 en 404 v.Chr. In deze redevoering spreekt Perikles zijn bewondering uit voor de gesneuvelde Atheners in deze oorlog die eindigde met een klinkende overwinning voor de Spartanen. Perikles zet in deze toespraak burgerschap neer als een ‘morele traditie’ en benadrukt het belang van de ‘eenheid, volledigheid en de nauwe verwevenheid van niet alleen het behoud van de polis, maar ook het leven van de Atheense burger’.28 Perikles herinnert de burgers in zijn rede aan de gemeenschap waar zij deel van uitmaken en aan de prestaties waar de Atheense burgers tezamen voor hebben gezorgd. Hierin klinkt de trots door van het burger-zijn in Athene en de toewijding aan de Atheense polis.29
Het is opvallend dat, hoewel Perikles in zijn redevoering de nadruk legt op de burgers van Athene ongeacht hun vermogenspositie, hij zich daarbij ook richt tot de vreemdelingen in Athene die zich hebben ingezet voor de polis. Het is onder andere naar aanleiding hiervan dat gedurende de Peloponnesische oorlog verscheidene voorstellen van wet de revue passeerden om het burgerschap niet slechts te verlenen aan degenen van wie de ouders Atheense burgers waren, maar aan eenieder die meestreed voor de polis.30 De weerstand tegen deze voorstellen kwam voornamelijk vanuit de hoek van de aristocraten. Deze vertegenwoordigers van de eerste vermogensklasse wilden het volle Atheense burgerschap voorbe houden aan (slechts) drieduizend Atheners.31 De discussie rondom de uitbreiding van burgerschap is tevens gevoerd in de Romeinse Republiek en het Romeinse Keizerrijk. Dat ook in deze entiteiten door middel van de figuur van burgerschap is getracht te experimenteren met de grootte van het aantal burgers van de Republiek respectievelijk het Keizerrijk, blijkt uit de volgende paragraaf.32