Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/6.4.3.1
6.4.3.1 Wanverhouding tot de ernst van de inbreuk
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955553:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ov. 17 Handhavingsrichtlijn (“dat naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van dat geval”).
Zie ook Edwards Lifesciences AG v. CoreValve, Inc., 699 F.3d 1305, 1314 (Fed. Cir. 2012) (“Absent adverse equitable considerations, the winner of a judgment of validity and infringement may normally expect to regain the exclusivity that was lost with the infringement”).
Een ander voorbeeld is het geval waarin de inbreuk betrekking heeft op een voorwerp dat onderdeel uitmaakt van een gedecentraliseerd systeem.
Art. 3 lid 2 Handhavingsrichtlijn; HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 56; HvJ EU 7 juli 2016, C-494/15, ECLI:EU:C:2016:528 (Tommy Hilfiger/Delta Center), rov. 34-35. Zie ook: Napp Pharmaceutical Holdings Ltd v Dr Reddy’s Laboratories (UK) Ltd [2016] EWHC 1517 (Pat) [170] (“Even if the level of infringement cannot be discounted as de minimis in such a case, I consider that an injunction would be both disproportionate and a barrier to legitimate trade. It would be disproportionate because the harm to the patentee from infringement on such a small scale would be indistinguishable from the harm caused by wholly non-infringing acts. It would be a barrier to legitimate trade because the practical effect of such an injunction would be to require the defendant to operate even further outside the boundaries of the claim, and thus would effectively extend the scope of the patentee’s monopoly”).
HR 17 april 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC5012, NJ 1971/89, m.nt. Ph.A.N. Houwing (Kuipers/de Jongh).
Zie HTC Corporation v Nokia Corporation [2013] EWHC 3778 (Pat) [61] (“So far as the future effect of an injunction is concerned, I cannot see that the mere fact that the injunction only relates to a small component of a larger whole is significant”).
Zie HTC Corporation v Nokia Corporation [2013] EWHC 3778 (Pat) [67] (“If non-infringing alternatives are available at non-prohibitive cost, however, then there is unlikely to be a problem of patent hold up. Accordingly, other things being equal, an injunction is unlikely to be disproportionate”). Vgl. Hof Den Haag 2 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3709 (VG Colours/HG Licenties), rov. 4.5.2 (“Daarnaast staat als onvoldoende weersproken staat vast dat er momenteel voor VG Colours geen reële alternatieve werkwijzen voor het kleuren van orchideeën voorhanden zijn die niet vallen onder het opgelegde verbod”).
Zie HTC Corporation v Nokia Corporation [2013] EWHC 3778 (Pat) [65-66].
Een uitgebreide behandeling van deze kosten gaat het bestek van deze bespreking te buiten. Zie hiervoor Cotter, Wash. & Lee L. Rev. 2019, afl. 4, p. 1507-1509.
Zie HTC Corporation v Nokia Corporation [2013] EWHC 3778 (Pat) [56] (“Where, on the other hand, the patentee is willing to grant consensual licences, and seeks an injunction to compel the defendant to accept his commercial terms, the effect of the injunction will not be to exclude the defendant from the relevant market even if the defendant has no non-infringing alternative”).
Dijkman 2023, p. 45-46; Dijkman, IER 2023/22, p. 188.
Dat ook hier problemen kunnen ontstaan, blijkt uit de allegorie van de ‘angorakat.’ Met deze term wordt gedoeld op “het verschijnsel dat de octrooiaanvrager zich tijdens de verleningsprocedure bescheiden opstelt met betrekking tot de gevraagde bescherming, om vervolgens wanneer hij door het gat van de verlening is gekropen een ruime bescherming te pretenderen” (citaat afkomstig uit: Hoyng, BIE 2007, afl. 11, p. 628-634.)
De auteur spreekt zelf van overreach: Dijkman 2023, 189-194; Dijkman, IER 2023/22, afl. 4, p. 190-191.
Dijkman 2023, p. 193-194; Dijkman 2023, IER 2023/22, p. 190 (opmerkend dat een complex product veelal meerdere kernfunctionaliteiten heeft en dat van onmisbaarheid (onder meer) sprake kan zijn als het product zonder de beschermde technologie commercieel levensvatbaar zou zijn).
Dijkman 2023, p. 44. Zie voor een economische benadering: Osterrieth, GRUR 2022, afl. 5, p. 299-302.
Dijkman, p. 44 en 191.
Merges 2011, p. 160-192.
Merges 2011, p. 182.
HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/8, m.nt. K.J. Koelman (Stokke/H3 Products), rov. 3.4(e); HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo) en HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/8, m.nt. K.J. Koelman (Hauck/Stokke), rov. 4.2(e).
Zie over de verhouding tussen eigen karakter en beschermingsomvang: Spoor, Verkade & Visser 2019, par. 4.12; HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1983, NJ 2014/193, m.nt. J.H. Spoor (Apple/Samsung). Zie ook GC 2002, p. 10, waaruit volgt dat de nieuwheid en het eigen karakter van een onderdeel op zichzelf moeten worden aangetoond, en niet mogen worden afgeleid uit het geheel.
HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/8, m.nt. K.J. Koelman (Stokke/H3 Products), rov. 3.4(e); HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/8, m.nt. K.J. Koelman IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo) en HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503m m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/8, m.nt. K.J. Koelman (Hauck/Stokke), rov. 4.2(e).
HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1983, NJ 2014/193, m.nt. J.H. Spoor (Apple/Samsung).
Deze leer houdt in dat de beschermingsomvang van het werk mede afhankelijk is van de ruimte voor creatieve keuzes; zie Quaedvlieg 1987, p. 21-27.
HvJ EG 12 november 2002, C-206/01, ECLI:EU:C:2002:651 (Arsenal/Reed); HvJ EG 25 januari 2007, C-48/05, ECLI:EU:C:2007:55 (Adam Opel/Autec); HvJ EG 11 september 2007, C-17/06, ECLI:EU:C:2007:497 (Céline); HvJ EG 18 juni 2009, C-487/07, ECLI:EU:C:2009:378 (L’Oréal/Bellure).
Deze factoren zijn bovendien niet altijd eenvoudig en objectief vast te stellen; zie Van Engelen & Kamperman Sanders 2023, p. 21.
De normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige lezer herkent hierin (wellicht) de slogans van Audi en BMW.
Dijkman, IER 2022/23, afl. 4, p. 190. De auteur noemt als voorbeeld de ‘slide-to-unlock’-functie; zie Apple, Inc. v. Samsung Elecs. Co., Ltd., 839 F.3d 1034 (Fed. Cir. 2016) (Apple V).
Apple, Inc. v. Samsung Elecs. Co., Ltd., 803 F.3d 633, 649, 654-655 (Fed. Cir. 2015) (Apple IV) (“A reputation as an innovator creates excitement for product launches and engenders brand loyalty. Samsung recognized the importance of such a reputation and set its sights not on developing more useful products, but rather to overcome the perception that it was a “fast follower””).
Zie ook Apple, Inc. v. Samsung Elecs. Co., Ltd., 695 F.3d 1370 (Fed. Cir. 2012) (Apple II) (“the causal nexus inquiry […] informs whether the patentee’s allegations of irreparable harm are pertinent to the injunctive relief analysis, or whether the patentee seeks to leverage its patent for competitive gain beyond that which the inventive contribution and value of the patent warrant”).
MercExchange LLC v eBay, Inc., 401, 491 F.3d 1323 (Fed. Cir. 2005); Gergen 2020, p. 209-210.
Het rechtsvermoeden van onherstelbare schade dat was aanvaard in eerdere rechtspraak is daarmee niet langer van kracht; zie Gergen, Golden & Smith, Colum. L. Rev. 2012, afl. 2, p. 204-205.
Apple, Inc. v Samsung Elecs. Co., Ltd., (Fed. Cir. 2012, p. 1324) (U.S.) (Apple I).
Apple, Inc. v Samsung Elecs. Co., Ltd., (Fed. Cir. 2012, p. 1374-1375) (U.S.) (Apple II).
Apple Inc. v. Samsung Elecs. Co., Ltd., 735 F.3d 1352, 1362 (Fed. Cir. 2013) (Apple III) (“In those cases, the impact that the infringing features had on demand for the products may never have been in doubt”).
Genband US LLC v. Metaswitch Networks Corp. 861 F.3d 1378, 1383-1384 (Fed. Cir. 2017).
Apple, Inc. v. Samsung Elecs. Co., Ltd., 678 F.3d 1314, 1324 (Fed. Cir. 2012) (Apple I).
Apple, Inc. v. Samsung Elecs. Co., Ltd., 803 F.3d 633, 649 (Fed. Cir. 2015) (Apple IV).
Merges 2011, p. 177.
Zie ook Apple, Inc. v. Samsung Elecs. Co., Ltd., 803 F.3d 633, 649 (Fed. Cir. 2015) (Apple IV).
Zie in auteursrechtelijke context: Lilith Games (Shanghai) Co. Ltd. v. Ucool, Inc. Rovio Entm’t, Ltd., WL 5591612, *26 (N.D. Cal. 2015) (“Instead of facing irreparable harm to its reputation, Lilith is primarily facing challenges to its ability to expand into new markets”). Zie ook kritisch: Samuelson, Wm. & Mary L. Rev. 2022, afl. 3, p. 836.
Ov. 8-10 Handhavingsrichtlijn.
Par. 4.2.4 en 4.3.3.
Zie ook Rb. Den Haag 18 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8777, rov. 4.52 (Nikon/ASML), rov. 4.50 (“Dat de ingeroepen octrooien, naar ASML aanvoert, maar op een klein onderdeel van de lithografiemachines zien, maakt dit, nog daar gelaten dat dit niets zegt over het relatieve belang van die technologie [cursivering PT], niet anders”).
BT-Drs. 19/25821, p. 54.
LD München 19 September 2023, ACT_459746/2023 (10x Genomics, Inc/NanoString), rov. A.VII.
Het moet gaan om een element dat niet binnen een redelijke tijd kan worden vervangen.
BGH 10 mei 2016, X ZR 114/13 (Wärmetauscher), rn. 45 en 53; BT-Drs. 19/25821, p. 54. Denkbaar is dat onder deze omschrijving ook bestanddelen vallen bij gebreke waarvan het product niet langer vatbaar is voor verkoop of voor normaal gebruik, zoals een geoctrooieerd autogordelsysteem; zie Harmsen, GRUR 2021, afl. 2, p. 224.
Aldus ook Dijkman 2023, p. 192 (“With respect, as a general rule, the German Federal Supreme Court ’ s view cannot be right as this would suggest exclusivity is more readily limited the greater the importance of the underlying technology, turning the idea of commensurate reward on its head”).
Dijkman 2023, p. 191-192.
Zie ook Harmsen, GRUR 2021, afl. 2, p. 224 (“Obwohl im “Wärmetauscher”-Urteil nicht angesprochen, erscheint indes vor allem eine wirtschaftliche Abgrenzung zwischen Verletzungsgegenstand und Liefergegenstand sinnvoll”).
Merges 2011, p. 189. Opmerking verdient dat de hier voorgestelde benadering enigszins afwijkt van het beoordelingskader van Merges. De auteur is van mening dat van onevenredigheid sprake is als de intrinsieke waarde van het recht in een wanverhouding staat tot de vergoeding die de rechthebbende in werkelijkheid kan bedingen. Dit is in mijn ogen geen belangrijk verschil, omdat dit prijsverschil wordt veroorzaakt door overloopeffecten; zie par. 6.5.1.2.
Aldus ook: Merges 2011, p. 190. Hier kan natuurlijk anders over worden gedacht; zie bijv. Dijkman 2023, p. 221 (“And even if some potentially problematic cases remain, that is probably a price worth paying for the legal certainty and increased application that a circumscribed proportionality test can offer”).
Ohly, GRUR 2021, afl. 2, p. 306.
Par. 6.3.2.1.
De hier voorgestelde benadering impliceert evenmin dat derden naar hartenlust, en zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende, beschermde voortbrengselen kunnen integreren in hun product(en).
Dat het karakter van de inbreuk een rol kan spelen bij de beoordeling van een verbodsvordering, volgt impliciet uit de Handhavingsrichtlijn.1 Duidelijk is dat een relatief beperkte inbreuk op zichzelf geen grond oplevert voor een aanpassing of weigering van een verbod.2 Dit kan echter anders zijn als het verbod ook gevolgen heeft voor de uitoefening van niet-inbreukmakende activiteiten. Dit kan onder meer het geval zijn als de inbreuk betrekking heeft op een component van een samengesteld voortbrengsel zoals een auto of een smartphone.3 Als de betreffende component niet eenvoudig of tegen aanvaardbare kosten kan worden vervangen of verwijderd, kan een verbod betekenen dat het gehele product niet verder kan worden verhandeld. Het verbod strekt zich in dit soort gevallen dus effectief uit tot rechtmatige activiteiten. Zulke ‘overloopeffecten’ kunnen de conclusie rechtvaardigen dat het verbod een belemmering oplevert voor legitiem handelsverkeer. 4
Het hierboven beschreven geval is conceptueel vergelijkbaar met het feitencomplex dat aan de orde kwam in het arrest Kuipers/De Jongh. In deze zaak boog de Hoge Raad zich over de vraag of De Jongh een vordering tot amotie (wegneming van overbouw op andermans grond) kon instellen tegen haar buurman Kuipers om te bewerkstelligen dat een gedeeltelijk op haar perceel gebouwde garage zou worden verwijderd. Van belang was daarbij dat het vrijmaken van de betreffende strook grond aanzienlijke kosten kon meebrengen. De Hoge Raad overwoog dat De Jongh in beginsel het recht toekwam de amotie van het op haar terrein gebouwde gedeelte van de garage te vorderen, ook al was Kuipers te goeder trouw en had hij een redelijke schadevergoeding aangeboden. Dit zou naar het oordeel van de Hoge Raad slechts anders zijn als het nadeel dat Kuipers door de uitoefening van het recht van amotie zou lijden “zowel op zichzelf beschouwd als in zijn verhouding tot het belang dat De Jongh met haar vordering nastreeft, zo groot zou zijn dat, alle verdere omstandigheden in aanmerking genomen, De Jongh naar redelijkheid niet tot de uitoefening van haar recht van amotie te vorderen had kunnen komen”.5
(i) Aanwezigheid van reële alternatieven
Dat de inbreuk betrekking heeft op een ondergeschikt onderdeel, brengt op zichzelf nog niet mee dat een verbod moet worden aangepast of geweigerd.6 Voor een geslaagd beroep op de evenredigheidstoets is over het algemeen ook nodig dat er voor de gedaagde geen reële alternatieven voorhanden zijn dan een continuering van de inbreuk. Alleen als zulke alternatieven ontbreken, kunnen de gevreesde overloopeffecten zich ook daadwerkelijk verwezenlijken.7 Bij deze beoordeling moeten zowel de beschikbaarheid als de kosten van zulke alternatieven worden betrokken.8 Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat er in het geheel geen alternatieven bestaan voor het beschermde voortbrengsel. Denkbaar is daarnaast dat er weliswaar alternatieven voorhanden zijn, maar dat de kosten van een overstap (switching costs) buitensporig zijn.9
Het ontbreken van reële alternatieven hoeft niet altijd een aanpassing of afwijzing van een verbod te rechtvaardigen. Als de rechthebbende een licentievoorstel heeft gedaan, bestaat voor een dergelijk oordeel in mijn ogen alleen ruimte als het aanbod evident onredelijk is.10
(ii) Vaststelling van een wanverhouding
Nadat is vastgesteld dat er geen reële alternatieven voorhanden zijn voor het beschermde voortbrengsel, moet worden beoordeeld of de betreffende overloopeffecten een aanpassing of afwijzing van een verbod rechtvaardigen. Er zijn verschillende methoden denkbaar om deze kwestie te adresseren. Eerst zullen de belangrijkste interpretaties die in de literatuur zijn geopperd worden besproken. Vervolgens komt mijn eigen opvatting aan de orde.
Het vereiste van overeenstemming
Dijkman heeft in zijn dissertatie betoogd dat de evenredigheidstoets (in octrooizaken) moet worden gestoeld op het beginsel dat de omvang van het octrooi overeenstemt met de bijdrage die het levert aan de stand van de techniek.11 Deze bijdrage kan in sommige gevallen aanleiding geven voor een ruime beschermingsomvang, terwijl zij in andere gevallen juist tot een beperktere bescherming leidt.12 Als een verbod overloopeffecten heeft,13 moet volgens de auteur worden beoordeeld of zij worden gerechtvaardigd door de inventieve bijdrage van de betreffende uitvinding. Dit vergt volgens Dijkman een onderzoek naar het belang van de onderliggende technische bijdrage voor het product of subonderdeel. Voor een beroep op de evenredigheidstoets is in zijn ogen geen ruimte als de geoctrooieerde technologie een onmisbare bijdrage levert aan de kernfunctionaliteit(en) van het product, of als deze significante technische of commerciële voordelen biedt ten opzichte van niet-inbreukmakende alternatieven.14 Deze technische benadering onderscheidt zich van eerdere voorstellen, waarin geen concrete toets is geformuleerd of waarin de economische waarde van de geoctrooieerde uitvinding als uitgangspunt is genomen.15
De kracht van de bovengenoemde benadering is dat zij aansluit op de specifieke expertise van de rechter die over het verbod oordeelt. Het vaststellen van de beschermingsomvang van het recht is voor de rechter immers een vertrouwde bezigheid.16 Deze aanpak bevordert dan ook de rechtszekerheid. Een bijkomend voordeel is dat zij eenvoudig kan worden veralgemeniseerd. Ook in andere gebieden van de intellectuele eigendom is immers aanvaard dat de reikwijdte van het exclusieve recht evenredig moet zijn aan het belang van de beschermde prestatie.17 Handhaving van dit beginsel veronderstelt dat de rechter ook na vaststelling van de inbreuk kan toetsen of de gevolgen van het recht in een redelijke verhouding staan tot dit belang.18 In zaken waarin de eiser zich beroept op een auteurs- of modelrecht, zou de beoordeling van een verbodsvordering zich bijvoorbeeld concentreren op de oorspronkelijkheid van het werk19 en het eigen karakter van het model.20 De rechter kan hierbij gebruikmaken van methodes zoals de toets van auteursrechtelijk beschermde trekken,21 de afstand tussen het model en eerdere soortgelijke modellen22 en de leer van het subjectief werk.23 Beroept de eiser zich op een merkrecht, dan zou de evenredigheidstoets draaien om de onderscheidingskracht en eigenschappen verbonden aan de reputatie van het merk.24
Ondanks deze voordelen zijn er ook argumenten aan te voeren tegen het standpunt de inventieve bijdrage van het octrooi het bepalende criterium zou moeten zijn voor de evenredigheidstoets.25 Het belang van de beschermde prestatie vertaalt zich immers al in de beschermingsomvang van het recht. De relevante regelgeving en rechtspraak bieden – voor zover mij bekend – geen aanknopingspunten voor het standpunt dat een ruimere mate van exclusiviteit ook meer overloopeffecten rechtvaardigt. Dat een bepaald element onmisbaar is, zegt bovendien niet altijd iets over de inventiviteit van een geoctrooieerd element. Zo kan in een functioneel essentiële component een relatief bescheiden technische bijdrage zijn belichaamd en kan een luxecomponent juist een zeer inventieve bijdrage weerspiegelen.26 Dit roept vragen op over de deugdelijkheid van een technisch criterium; gaat het echt alleen om de Vorsprung durch Technik, of mag ook de Freude am Fahren worden meegenomen?27 Dijkman adresseert deze kwestie door een aantal contra-indicaties te formuleren, zoals de technische of commerciële voordelen van het voortbrengsel.28 Deze indicaties kunnen het probleem echter niet geheel wegnemen; commerciële voordelen hangen bijvoorbeeld niet alleen samen met technische aspecten, maar ook met de reputatie van de fabrikant.29
Belangrijker nog is dat een juridisch-technisch criterium niet altijd een bevredigend alternatief biedt voor een belangenafweging. Ook als een technologie onmisbaar is voor het vervullen van de kernfunctie van het product of een significant voordeel biedt ten opzichte van niet-inbreukmakende alternatieven, kunnen de financiële gevolgen van een verbod immers verstrekkend zijn. Als deze schade in overwegende mate voortvloeit uit omstandigheden die niet zijn gerelateerd aan de beschermde technologie, kan dit in mijn ogen een billijkheidscorrectie rechtvaardigen.30
Het vereiste van een oorzakelijk verband (causal nexus)
In de Verenigde Staten geldt op grond van vaste rechtspraak dat een verbod alleen kan worden toegewezen als de rechthebbende onherstelbare schade zou lijden als gevolg van een voortdurende inbreuk.31 Het bestaan van zulke schade kan niet worden vermoed, maar moet door de rechthebbende worden aangetoond.32 Het Federal Circuit verduidelijkte in Apple I dat de rechthebbende een voldoende sterk oorzakelijk verband (causal nexus) moet aantonen tussen de vermeende onherstelbare schade en de vermeende inbreuk. 33
De causal nexus-toets is bedoeld om te waarborgen dat de schade die de rechthebbende lijdt daadwerkelijk aan de inbreuk kan worden toegeschreven en niet aan andere omstandigheden.34 Aan deze voorwaarde is al snel voldaan als de inbreuk betrekking heeft op een product waarin een beperkt aantal beschermde technologieën is vervat.35 Het wordt ingewikkelder als de inbreuk betrekking heeft op een component van een complex product. De rechthebbende moet in zulke gevallen aantonen dat de beschermde technologie voor de consument een belangrijke reden is om het product aan te schaffen.36 Daarentegen wordt geen verband aangenomen als de meeste consumenten het product ook zouden kopen zonder de beschermde kenmerken.37 De invloed van de beschermde elementen op de aankoopbeslissing van de consument staat dus centraal.38
Ook de Amerikaanse benadering is niet zonder problemen. Allereerst past het niet in het systeem van de Handhavingsrichtlijn dat de rechthebbende moet aantonen dat er een verband is tussen de inbreuk en de gevreesde schade. Daarnaast is de aankoopbeslissing van de consument in mijn ogen geen betrouwbare indicator voor het relatieve belang van het exclusieve recht. Het is in de praktijk immers niet eenvoudig om vast te stellen of de consument een bepaald product koopt vanwege het beschermde kenmerk, of vanwege bepaalde netwerkeffecten39 of aspecten die verband houden met de reputatie van een van beide ondernemingen.40 Dit kan er enerzijds toe leiden dat gerenommeerde ondernemingen eenvoudiger een beroep kunnen doen op de evenredigheidstoets, terwijl anderzijds ondernemingen die kort geleden zijn toegetreden tot de markt juist minder snel een verbod kunnen vorderen.41 Een dergelijke uitkomst lijkt op voorhand onverenigbaar met het bevorderen van gezonde mededinging en het waarborgen van een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming in de interne markt.42
Het vereiste van ondergeschiktheid
Dit brengt mij bij mijn eigen standpunt. Zoals besproken, behelst vaststelling van evenredigheid in strikte zin een normatief oordeel, waarbij de schadelijke gevolgen van de remedie moeten worden afgezet tegen het belang van het nagestreefde doel.43 Waar het dus uiteindelijk om gaat, is of de overloopeffecten van het verbod kunnen worden gerechtvaardigd door het exclusieve recht. Dit is in mijn ogen niet het geval als het recht van ondergeschikte betekenis is voor het product of de component waarin het is geïntegreerd.44 Deze interpretatie sluit in grote lijnen aan bij de benadering die in Duitsland wordt aangehangen.45 In de toelichting bij §139 PatG valt daaromtrent te lezen dat van onevenredigheid met name sprake is als de inbreukmaker voorafgaand aan de instelling van de verbodsvordering omvangrijke investeringen heeft gedaan in de ontwikkeling en vervaardiging van een product en waarvan het verlies volledig onevenredig zou zijn aan de waarde van het octrooi.46 Ook de Lokale Divisie München van het UPC lijkt in een recente uitspraak impliciet aan te nemen dat het relatieve belang van het ingeroepen recht een rol kan spelen bij de beoordeling van een (voorlopig) verbod.47
Hoewel het BGH in de bovengenoemde uitspraak terecht aandacht besteedde aan het relatieve belang van het octrooi, blijkt uit het arrest dat het vooral om een functionele analyse gaat. Volgens het BGH is voor een respijttermijn namelijk enkel ruimte als de inbreuk betrekking heeft op een klein, maar essentieel functioneel onderdeel dat niet eenvoudig kan worden vervangen.48 Het mag daarbij niet gaan om een ‘bijzonder uitrustingskenmerk’ dat geen betrekking heeft op de algemene bruikbaarheid van het product of een onderdeel ervan.49 Naast het feit dat een zuiver technisch criterium in mijn ogen niet de voorkeur heeft, is de invulling van het BGH ongelukkig te noemen. Voor een aanpassing of afwijzing van een verbod zou immers juist eerder ruimte moeten bestaan als het betreffende element van ondergeschikte betekenis is voor het totaalproduct.50 Een andere uitleg zou erop neerkomen dat een verkoop- of productiestop wel kan worden gerechtvaardigd als het verbod betrekking heeft op een luxeonderdeel, maar (kennelijk) niet als het gaat om relatief belangrijke technologie.51
De vraag is vervolgens wanneer het ingeroepen recht ondergeschikt is aan de overloopeffecten van het verbod. Het komt mij voor dat een aanmerkelijk verschil in marktwaarde tussen het recht en het totaalproduct een betrouwbare indicator is.52 Men zou kunnen menen dat deze aanpak tot vergelijkbare problemen leidt als de benaderingen die hiervoor zijn besproken. Het is immers niet eenvoudig om de economische waarde van het recht op uniforme en voorspelbare wijze te bepalen. Van de rechter wordt echter ook geen perfectie verwacht; hij hoeft slechts vast te stellen dat de waarde van het recht in een wanverhouding staat tot de geleden of verwachte schade. De evenredigheidstoets scharniert uiteindelijk dus niet op een economische analyse, maar op een rechtsoordeel. Het karakter van deze beoordeling is treffend omschreven door Merges:
“[W]hile the doctrines that embody this principle involve a judgment by the courts that the default market valuation is out of proportion, it does not require that courts substitute their own valuation. The only real valuation is a comparison between the two values: the “intrinsic” value of the right and the price the right in question would fetch in a market transaction. In other words, the valuation is rough, and strictly comparative – ordinal, rather than cardinal, in the mathematic sense.”53
Toegegeven kan worden dat ook aan de hier voorgestelde benadering een bepaalde mate van rechtsonzekerheid kleeft. Zulke onzekerheid valt in mijn ogen echter te rechtvaardigen door het belang van individuele billijkheid. Het is in mijn ogen onverdedigbaar dat de rechter evident onredelijke uitkomsten zou moeten toestaan omwille van volmaakte voorspelbaarheid.54 Bovendien denk ik dat het in werkelijkheid wel mee zal vallen met de rechtsonzekerheid die de hier voorgestelde toets meebrengt. De rechter komt immers pas toe aan een belangenafweging als duidelijk is dat het verbod overloopeffecten heeft. Als de gedaagde eenvoudig en tegen aanvaardbare kosten kan overstappen op een alternatief, is voor een aanpassing of weigering van een verbod normaliter geen plaats.55 Datzelfde geldt als vaststaat dat sprake is van een opzettelijke of bewuste inbreuk.56 De toepassing van de evenredigheidstoets blijft dus beperkt tot uitzonderlijke gevallen, wat impliceert dat de rechtszekerheid op macroniveau gewaarborgd blijft.57