Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.3.6:5.3.6 Deelconclusie
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.3.6
5.3.6 Deelconclusie
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS578723:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de bespreking van de recente rechtsgeschiedenis in deze paragraaf blijkt dat de rechter, mede als gevolg van het toetsingsverbod van artikel 81 lid 3 EG, onder het regime van Verordening 17/62 moest omgaan met de nodige (procedurele) moeilijkheden op het gebied van de institutionele verhouding tussen de nationale rechter en de Europese Commissie. Onder het regime van Verordening 17/62 kon een individuele ontheffing slechts worden verkregen indien de overeenkomst was aangemeld bij de Commissie. De nationale rechter moest, naast de mogelijke verbodsbeschikkingen en boetebeschikkingen van de Commissie, rekening houden met individuele ontheffingen, negatieve verklaringen en troostbrieven. Aan deze beschikkingen en informele troostbrieven waren voor de nationale rechter de nodige consequenties verbonden, die een belemmering konden vormen voor de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht.