Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/II.3.3.2.1.a
Wetenschappelijk onderzoek
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS457996:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
E. Elaad, ‘Validity of the CIT in realistic contexts’, in: B. Verschuere, G. Ben-Shakhar & E. Meijer (eds.), Memory Detection: Theory and Application of the Concealed InformationTest, Cambridge: Cambridge University Press 2011, p. 178.
G. Ben-Shakhar & E. Elaad, ‘The validity of psychophysiological detection of information with the guilty knowledge test: a meta-analytic review’, Journal of Applied Psychology 2003, 1, p. 131-151.
G. Ben-Shakhar & E. Elaad, ‘The validity of psychophysiological detection of information with the guilty knowledge test: a meta-analytic review’, Journal of Applied Psychology 2003, 1, p. 138.
R. Coe, ‘“It’s the Effect Size, Stupid”. What effect size is and why it is important’, Education-line, http://www.leeds.ac.uk/educol/documents/00002182.htm, laatst geraadpleegd op 6 januari 2017.
Vgl. de omvangrijke meta-analyse: E.H. Meijer, N. Klein Selle, L. Elber & G. Ben-Shakhar, ‘Memory detection with the Concealed Information Test: A meta analysis of skin conductance, respiration, heart rate, and P300 data’, Psychophysiology 2014, 9, p. 879-904, i.h.b. p. 889, 896, 899.
E. Elaad & G. Ben-Shakhar, ‘Effects of item repetitions and variations on the efficiency of the Guilty Knowledge Test’, Psychophysiology 1997, 5, p. 594 en G. Ben-Shakhar & E. Elaad, ‘Effects of questions’ repetition and variation on the efficiency of the Guilty Knowledge Test: A reexamination’, Journal of Applied Psychology 2002, 5, p. 974-975.
G. Ben-Shakhar & E. Elaad, ‘Effects of questions' repetition and variation on the efficiency of the Guilty Knowledge Test: A reexamination’, Journal of Applied Psychology 2002, 5, p. 972-977.
D.T. Lykken, ‘Detection of Guilty Knowledge: A Comment on Forman and McCauley’, Journal of Applied Psychology 1988, 2, p. 304.
Elaad merkt op dat de teleurstellende correcte classificaties van verschillende onderzoeken vooral voorkomt bij onderzoeken met weinig items.1 Het aantal items verkleint niet alleen de kans op een vals-positieve classificatie maar vergroot ook de kans op een correct-positieve classificatie. Dit heeft vooral te maken met het zojuist genoemde feit dat een daadwerkelijke plaats delict niet een ideale set-up heeft waardoor de autoriteiten niet zeker kunnen zijn dat de dader bepaalde informatie heeft waargenomen. Als hij twee geselecteerde items niet heeft waargenomen – bijvoorbeeld de kleur van het tapijt in de woonkamer en de vorm van de bank in de woonkamer – en juist die onderwerpen zijn in een GKT opgenomen, dan wordt de dader als onschuldig geclassificeerd. Bij het opnemen van meerdere items wordt het risico verminderd dat een onderwerp door de dader niet is waargenomen. Als hij andere items wel heeft waargenomen – zoals het object waarmee iemand is gewurgd, de kleur van het object en de kleding van het slachtoffer – kan hij op basis van deze informatie als iemand met daderkennis worden geclassificeerd.
Ben-Shakhar en Elaad onderzochten tachtig wetenschappelijke onderzoeken met de GKT en distilleerden algemene kenmerken die bijdragen aan de percentages correcte classificaties.2 Zij concluderen dat
‘the number of GKT questions used does make a difference. Across all experimental conditions, effect size estimates of 2.35 and 1.29 were obtained for GKT studies withlarge (vijf of meer, DvT) and small (minder dan vijf, DvT) numbers of GKT questions,respectively’.3
De effectgrootte (Cohen’s d) bepaalt in welke mate de variabele – in dit geval het aantal items – bijdraagt aan de uitkomst – in dit geval de classificatie. Deze effectgrootte is respectievelijk om te rekenen naar correcte classificaties in ongeveer 99 procent en 90 procent.4 Bij vijf of meer items is de kans op correcte classificatie dus hoger dan bij vier of minder. 5
Een alternatief om een probleem met betrekking tot de hoeveelheid van items te omzeilen, is één item meerdere malen af te nemen.6 Voor onschuldigen blijven het juiste en de onjuiste antwoorden namelijk even plausibel, ook al wordt de vraag honderd keren gesteld. De kans dat de hersenen van een onschuldigen één keer ten onrechte en toevallig verhoogde hersenactiviteit bij het daderkennisantwoord vertoont, is vele malen groter dan dat dit meerdere keren gebeurt. Omdat de herkenning op toeval is berust en voor de onschuldige de afleiders plausibel zijn, reageren zijn hersenen niet telkens hetzelfde als hem dezelfde vraag met dezelfde of steeds wisselende antwoordmogelijkheden wordt voorgelegd. Ben-Shakhar en Elaad onderzochten de effecten van (1) het twaalf keren stellen van één vraag; (2) het drie keren stellen van vier vragen en; (3) het een keer stellen van twaalf vragen.7 De classificatiepercentages in dit onderzoek waren respectievelijk 68 procent, 81 procent en 99 procent. Ondanks dat de GKT kan worden afgenomen door één item te herhalen (met een lager classificatiepercentage als gevolg), wordt in de literatuur de voorkeur gegeven aan meerdere items omdat daarmee de 100 procent correcte classificaties wordt benaderd. Lykken stelt dat de kans op een vals-positieve beslissing twee procent en de kans op een vals-negatieve beslissing tien procent is bij zes items met vier alternatieve antwoorden en dat alleen een beslissing wordt genomen als ten minste vier van de zes daderkennisantwoorden consistent worden herkend.8