Het besluit van de rechtspersoon
Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/V.7.1:V.7.1 Inleiding
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/V.7.1
V.7.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178796:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Waar Scholten spreekt van eenvoud en esthetiek, gaat het er in de eerste plaats om geen constructies op te tuigen die niet strikt noodzakelijk zijn. Zou non-existentie niet meer dan een overbodige verfraaiing zijn, dan is er geen reden haar te hanteren. Het non-existentiebegrip moet van toegevoegde waarde zijn; het moet wat verklaren, wat de nietigheid niet kan (zie hierna § 7.4). Maar vooreerst moet een rechtsbegrip, zo versta ik Scholten, praktisch bruikbaar zijn. Het begrip moet helpen gevallen van elkaar te onderscheiden; het moet helpen de werkelijkheid in juridische hokjes te plaatsen. De vraag is dan of non-existentie een helder criterium biedt dat de onbestaanbare van de nietige of vernietigbare rechtshandeling scheidt (§ 7.2). Dat criterium moet bovendien de willekeur ontstijgen. De non-existente gevallen moeten zich op goede gronden van de nietige casus onderscheiden (§ 7.3). Dit alles is een kwestie van eenvoud en esthetiek.