Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging
Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/II.5.3.3.1:II.5.3.3.1 Inleiding
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/II.5.3.3.1
II.5.3.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Teunissen in zijn commentaar op art. 7:4 Awb, J.M.H.F Teunissen, 'Commentaar art. 7:4 Awb', in: M. Scheltema, R.M. van Male, B.W.N. de Waard, A.T. Marseille, A.J.C. de Moor- van Vugt (red.), Commentaar Algemene wet bestuursrecht, Amsterdam: Reed Elsevier (voorheen Den Haag: VUGA), losbladige uitgave, p. E 6.3.9-2.
De Waard 1987, p. 246-247 en 301. Zie par. 4.3.5 van Deel I.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast het in de vorige paragraaf belichte recht van belanghebbenden om mondeling informatie te verschaffen, bevat de regeling van de bezwaarschriftprocedure en het administratief beroep in de Awb nog een tweetal andere mogelijke uitwerkingen van het beginsel van hoor en wederhoor. Het betreft eisen of waarborgen die met name het horen beogen te faciliteren. De desbetreffende voorschriften beogen te waarborgen dat belanghebbenden (ten behoeve daarvan) de beschikking hebben over alle relevante informatie voor de besluitvorming en ook alle in hun ogen relevante informatie ter beschikking kunnen stellen aan het bestuur. Het horen van belanghebbenden en hen de gelegenheid bieden om hun standpunt naar voren te brengen en toe te lichten is slechts zinvol, indien zij over de relevante stukken beschikken en ook zelf ter adstructie van hun standpunt stukken aan het bestuur kunnen overleggen.1 Het beginsel van hoor en wederhoor vereist dat een belanghebbende de mogelijkheid moet krijgen om deugdelijk verweer te voeren, althans zijn standpunt moet kunnen verdedigen. In de Awb zijn in de artikelen 7:4 en 7:18 enkele eisen neergelegd om de informatieverschaffing door het bestuur aan de belanghebbenden en het recht van de belanghebbenden om informatie te verschaffen te waarborgen. Vergelijkbare eisen voor de procedure bij de rechter kunnen worden beschouwd als een uitwerking van het beginsel van hoor en wederhoor (in ruime zin) 2 In de artikelen 7:4 en 7:18 Awb is enerzijds neergelegd dat tot tien dagen voor het horen door belanghebbenden nadere stukken kunnen worden ingediend en anderzijds dat belanghebbenden een recht op inzage van de relevante stukken hebben. Het laatstgenoemde recht vormt het onderwerp van paragraaf 5.3.4. In de onderhavige paragraaf wordt uitsluitend ingegaan op de mogelijkheid om stukken in te dienen voor de hoorzitting. Bezien wordt in hoeverre de in deze bepalingen neergelegde waarborgen moeten worden gezien als een uitwerking van het beginsel van hoor en wederhoor.