Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.10.7:3.10.7 Meerpartijenverhoudingen
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.10.7
3.10.7 Meerpartijenverhoudingen
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS493872:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 6 zijn meerpartijenverhoudingen besproken. Gesignaleerd werd dat de heersende leer aanvankelijk heeft geprobeerd wenselijke oplossingen te bereiken aan de hand van het Leistungsbegrip. Ook is gebleken dat niet in alle gevallen wenselijke oplossingen kunnen worden bereikt aan de hand van het Leistungsbegrip. Dit wordt door veel schrijvers en het BGH ook onderkend. Zij menen dat daarom tevens moet worden gelet op principes van risicoverdeling.
De principes aan de hand waarvan mede moet worden bepaald wie van wie kan terugvorderen, hebben betrekking op risico’s die voortvloeien uit gebrekkige rechtsverhoudingen. Het belangrijkste principe is dat derden niet moeten worden betrokken in rechtsbetrekkingen waar zij geen partij bij zijn. Gebleken is dat in twijfelgevallen en in gevallen waarin het Leistungsbegrip niet tot wenselijke uitkomsten leidt, deze principes voor de schrijvers en het BGH de doorslag geven. Daardoor wordt aan de gangbare definitie van het Leistungsbegrip eigenlijk alleen maar lippendienst bewezen.
Vanwege de tekortkomingen van het gangbare Leistungsbegrip wijst een minderheid in de literatuur dit begrip geheel af. Wenselijke oplossingen in meerpartijenverhoudingen vloeien volgens deze auteurs niet voort uit enige definitie van het begrip Leistung, maar enkel uit principes van risicoverdeling.
Aangezien ik de kritiek op een subjectief betalingsbegrip (voor zowel het Duitse als het Nederlandse recht) onderschrijf, heb ik bijzondere aandacht aan deze minderheidsopvatting besteed – al meen ik dat zij niet onverkort dient te worden overgenomen voor het Nederlandse recht.
Een voorbeeld verduidelijkt de benadering van de minderheidsstroming. Voorop wordt gesteld dat als A en B met elkaar in onderhandeling treden, zij elkaar zelf uitkiezen. Zij maken daarbij over en weer een inschatting van de betrouwbaarheid van elkaars mededelingen, van de kans dat de wederpartij failliet gaat of verweermiddelen kan voeren. Ook bij het verrichten van de prestatie worden deze inschattingen gemaakt. De derde C die niet bij deze onderhandeling betrokken is, kan deze inschattingen minder goed maken. Hij dient bij gebreken in de rechtsverhouding AB dan ook zoveel mogelijk buiten de afwikkeling van deze rechtsverhouding te worden gehouden. Daarom moet A – als hij in opdracht van B rechtstreeks heeft gepresteerd aan C – alleen kunnen terugvorderen van B. Dit wordt bereikt door aan te nemen dat de ontvangst van de prestatie kan worden toegerekend aan B. Toerekening wordt gerechtvaardigd door de opdracht. Daardoor heeft A aan B gepresteerd, zodat A een vordering tot terugbetaling kan instellen tegen B.
Evenzo geldt dat als B en C met elkaar in onderhandeling treden, A geen zicht heeft op de risico’s die B aanvaardt. A hoort daarom buiten de afwikkeling van een gebrekkige rechtsverhouding BC te worden gehouden als hij in opdracht van B presteert aan C. Alleen B dient dan van C te kunnen terugvorderen. Dit wordt bereikt door aan te nemen dat de verrichting van de prestatie kan worden toegerekend aan B als A op grond van een opdracht van B heeft gehandeld. Door deze toerekening heeft B gepresteerd aan C, zodat B een vordering tot terugbetaling kan instellen tegen C.
Echter, het principe dat inmenging in vreemde rechtsverhoudingen moet worden voorkomen, wordt niet consequent toegepast. Als de aanwijzing van B niet geldig is, kan A wel van C terugvorderen. Of de aanwijzing geldig is, valt voor C moeilijk te overzien, terwijl C wel verplicht is om de prestatie van A te accepteren op straffe van schuldeisersverzuim.
Al met al biedt de nieuwe benadering inzichten die ook van belang zijn voor het Nederlandse recht. Vooral het inzicht dat de verrichting en de ontvangst van een prestatie handelingen zijn die kunnen worden toegerekend, vormt inspiratie voor een eigen benadering die ik in de volgende hoofdstukken voor het Nederlandse recht ontwikkel.