Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.10.4:3.10.4 Nichtleistungskondiktion
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.10.4
3.10.4 Nichtleistungskondiktion
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS496268:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 4 heb ik de Nichtleistungskondiktionen onderzocht. De voor de pratijk belangrijkste Nichtleistungskondiktion is de Eingriffskondiktion. Deze condictie ontstaat als de verrijkingsschuldenaar een inbreuk maakt op een exclusieve rechtspositie (een rechtspositie met Zuweisungsgehalt) van de verrijkingsschuldeiser. Een rechtspositie is exclusief als alleen de verrijkingsschuldeiser gerechtigd is om de rechtspositie te gebruiken, daarvan het genot te hebben en daarover te beschikken. Een voorbeeld van een dergelijke rechtspositie is het eigendomsrecht. Uit het gegeven dat de voordelen van een dergelijke rechtspositie alleen toekomen aan de verrijkingsschuldeiser, volgt dat het voordeel dat de verrijkingsschuldenaar door het onbevoegde inbreuk geniet uit het vermogen van de schuldeiser is gevloeid. Bovendien volgt daaruit dat de verrijking ongerechtvaardigd is.
Andere Nichtleistungskondiktionen geven aanspraak op terugbetaling van prestaties die zonder rechtsgrond zijn verricht. Kenmerkend voor deze Nichtleistungskondiktionen is dat de verrijkingsschuldeiser een prestatie heeft verricht zonder daarmee een relevante bedoeling jegens de verrijkingsschuldenaar te hebben nagestreefd. De volgende Nichtleistungskondiktionen moeten worden genoemd: (i) De Aufwendungskondiktion, (ii) de Rückgriffskondiktion en (iii) de Durchgriffskondiktion.
Ad i. Met de Aufwendungskondiktion kan de waarde van een prestatie worden gevorderd, welke prestatie de schuldeiser heeft verricht door zaken van de schuldenaar te verbeteren in de onjuiste veronderstelling dat het zijn eigen zaken betrof of in de onjuste veronderstelling dat hij gebruik maakte van middelen van de schuldenaar, terwijl hij eigen materialen gebruike. Stel bijvoorbeeld dat de verrijkingsschuldeiser per vergissing niet zijn eigen land bewerkt, maar het land van de buurman. De verrijkingsschuldeiser verricht niet een bewuste en doelgerichte prestatie jegens de buurman, zodat deze prestatie niet voldoet aan de gangbare definitie van het begrip Leistung. De verrijkingsschuldeiser moet daarom de Aufwendungskondiktion instellen. Of stel dat de schuldeiser zaken industrieel vervaardigt in opdracht van een klant. De schuldeiser meent dat hij materiaal van de klant gebruikt, terwijl hij in werkelijkheid hij zijn eigen materiaal gebruikt. De schuldeiser heeft in zoverre niet jegens de schuldenaar een bedoeling nagestreefd, zodat zijn prestatie niet een Leistung in de zin van §812 is. Hij kan zijn de waarde van de materialen terugvorderen door een Aufwendungskondiktion in te stellen.
Ad ii. De Rückgriffskondiktion kan worden ingesteld bij een betaling door een derde. Als een derde (A) een schuld voldoet die een schuldenaar (B) aan diens schuldeiser (C) heeft, kan de derde (A) verhaal halen op de oorspronkelijke schuldenaar (B). De derde (A) kan zich soms beroepen op verschillende rechstgronden. Hij kan echter alleen een Rückgriffskondiktion instellen als hij zijn regresvordering niet op een andere rechtsgrond dan §812 kan baseren.
Ad iii. De Durchgriffskondiktion kan worden ingesteld in het volgende geval. B is ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van A. B is te goeder trouw en geeft zijn verrijking weg aan C. Als A vervolgens een vordering instelt tegen B uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, kan B zich tegen deze vordering verweren door een beroep te doen op §818 lid 3. Daar is bepaald dat voor zover de verrijking van de de verrijkingsschuldenaar is verminderd terwijl de schuldenaar te goeder trouw is, de schuldenaar niet zijn oorspronkelijke verrijking hoeft af te dragen. A kan daardoor niet van B terugvorderen. §822 bepaalt dat A in een dergelijk geval afdracht van de verrijking van C kan vorderen. Deze vordering wordt de Durchgriffskondiktion genoemd.