Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/3.5.2
3.5.2 Personen waarvoor de bezitter inwisselbaar is
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS296734:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Voor art. 6:180 lid 1 is het zuiverder te stellen dat deze bepaling de bezittersaansprakelijkheid uitbreidt tot medebezitters.
Zie art. 5:85 lid 1.
Parl. gesch. Boek 6, p. 756. Zie ook Bauw 2015, p. 31; Klaassen 1991, p. 110.
Vgl. Knijf 1973, p. 72: ‘Indien een gebouw is gesticht op grond die in erfpacht is afgestaan, is de bezitter van het erfpachtsrecht, dus de erfpachter en niet de blote eigenaar van de grond aansprakelijk. Dit is alleszins redelijk: hoewel de erfpachter houder is en niet bezitter, is hij toch in feite degeen die bij uitstek macht uitoefent over het tot zijn vermogen behorende gebouw.’
Parl. gesch. Boek 6, p. 766-767; Bauw 2015, p. 15; Klaassen 1991, p. 90-91.
Vgl. hier ook de gedachte achter art. 6:181 lid 2 en 3. Zie daarover par. 3.4, alsook par. 7.7.1 en 7.7.2.
Art. 6:183 lid 2 vormt een uitzondering op lid 1 van deze bepaling, dat bepaalt dat ter zake van aansprakelijkheid ex afd. 6.3.2 BW de aangesprokene geen beroep kan doen op zijn op zijn jeugdige leeftijd of geestelijke of lichamelijke tekortkoming. Vgl. ook art. 6:164 en 6:165 lid 1.
Parl. gesch. Boek 6, p. 768.
Parl. gesch. Boek 6, p. 768; Klaassen 1991, p. 91-93.
Zie voor de in art. 6:174 bedoelde opstallen het Hangmat-arrest, r.o. 4.3.5.
Parl. gesch. Boek 6, p. 752, 756 en 766.
Zie nader over de achtergrond van de diverse kanaliseringsconstructies in afd. 6.3.2 BW par. 7.5.
Zie par. 3.3.3.1 en 3.3.3.2.
Zie over het ‘vangnet’ van de aansprakelijkheid van de bezitter inclusief de personen waarvoor deze ‘inwisselbaar’ is nader par. 4.4.1, 4.4.2 en 4.6.2.
Par. 3.5.1.
Zie nader hoofdstuk 9 en de bijlage achter dit hoofdstuk over deze suggestie en ook andere aanbevelingen betreffende het aanpassen van de redactie van afd. 6.3.2 BW.
Vgl. ook par. 4.4.1, 4.4.2, 4.5 en 4.6.2.
Lid 1 van art. 6:180 bepaalt dat in geval van medebezit van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken iedere medebezitter hoofdelijk aansprakelijk is. Art. 6:180 lid 2 legt de bezittersaansprakelijkheid uit de art. 6:173, 174 en 179 op de verkrijger onder opschortende voorwaarde. Art. 6:183 lid 2 legt de bezittersaansprakelijkheid uit art. 6:173 en 179 (niet ook art. 6:174) op de ouder of voogd van het kind jonger dan veertien jaar. Art. 6:174 lid 2 wijst voor opstallen de erfpachter als aansprakelijke aan. Wanneer een van deze ‘bijzondere’ personen valt aan te wijzen, rust in plaats van op de bezitter op hem de kwalitatieve aansprakelijkheid. Met andere woorden, kenmerk van alle zojuist genoemde ‘bijzondere’ personen is dat de bezitter uit art. 6:173 lid 1, 174 lid 1 en 179 daarvoor inwisselbaar is.1 Nu art. 6:181 lid 1 exclusieve werking ten opzichte van de bezitter uit art. 6:173 lid 1, 6:174 lid 1 en 179 heeft, heeft art. 6:181 dat ook ten opzichte van de ‘bijzondere’ personen waarvoor de bezitter in bepaalde gevallen wordt ingewisseld c.q. op wie onder omstandigheden de aansprakelijkheid wordt gelegd die normaliter op de bezitter rust. Is art. 6:181 toepasselijk, dan rust derhalve geen kwalitatieve aansprakelijkheid op de bezitter of de ‘bijzondere’ personen die deze onder omstandigheden vervangen. Waar de aansprakelijkheid van de zojuist genoemde ‘bijzondere’ personen exclusief werkt ten opzichte van die van de bezitter, werkt de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker exclusief ten opzichte van die van de bezitter inclusief diens plaatsvervangers.
De gedachte achter alle ‘nadere regels’ die de bezitter soms inwisselen voor een andere aansprakelijke persoon is dezelfde: niet in alle gevallen waarin van bedrijfsmatig gebruik geen sprake is, wordt het billijk geacht de aansprakelijk heid uit art. 6:173, 174 en 179 bij de bezitter te leggen. Wanneer door de eigenaar een opstal in erfpacht aan een ander wordt uitgegeven (art. 6:174 lid 2, eerste zin), is die ander bevoegd deze opstal te houden en gebruiken.2 Dan is het ‘redelijker’, zo voegt de toelichting hieraan toe, dat voor door de opstal veroorzaakte schade niet de bloot-eigenaar maar de erfpachter, ondanks dat deze slechts houder van de opstal is, aansprakelijk is.3 De gedachte lijkt te zijn dat in geval van erfpacht de erfpachter wordt geacht een sprekender band met de opstal te hebben dan de eigenaar/bezitter.4 Wordt een in art. 6:173, 174 of 179 bedoelde zaak onder eigendomsvoorbehoud geleverd, dan gaat de aansprakelijkheid uit deze artikelen ingevolge art. 6:180 lid 2 op het tijdstip van de overdracht over op de verkrijger. Hoewel het volgens de toelichting twijfelachtig is of bijvoorbeeld een huurkoper van een zaak daarvan ook bezitter is – de vervreemder blijft eigenaar totdat de verkrijger de koopprijs heeft voldaan en tot die tijd is de koper slechts detentor –, heeft men zeker willen stellen dat vanaf de overdracht niet de bezitter maar de detentor de kwalitatief aansprakelijke is.5 Ook hier geldt dat de verkrijger vanaf de overdracht van de zaak daarmee een sprekender band heeft dan de vervreemder.6 Art. 6:183 lid 2 vervangt de bezitter van de in art. 6:173 en 179 bedoelde zaken als aansprakelijke persoon ingeval dit een kind jonger dan veertien jaar betreft.7 In plaats van op het jonge kind rust de aansprakelijkheid op diens ouders/voogd. Deze aanvulling van art. 6:169 lid 1 – de kwalitatieve aansprakelijkheid van de ouders voor schadeveroorzakende gedragingen van kinderen jonger dan veertien jaar – wordt ‘redelijk’ geacht, omdat de ouders/voogd erop hebben toe te zien dat het kind behoorlijk voor de aan hem toebehorende zaken en dieren zorgt dan wel die zorg zelf behoren uit te oefenen. Behalve het aspect van invloed op de aan de zaak verbonden risico’s, wordt ook acht geslagen op de verhaalsmogelijkheden van de benadeelde. De toelichting vermeldt namelijk voorts dat de ouders/voogd zich niet moeten kunnen verschuilen achter het feit dat de in art. 6:173 en 179 bedoelde zaken en dieren niet in hun bezit zijn maar in dat van het kind, op wie wellicht geen verhaal mogelijk is.8 Hier wordt ook duidelijk waarom art. 6:183 lid 2 niet geldt voor de in art. 6:174 bedoelde opstallen waarvan een kind bezitter is. Anders zou, aldus de toelichting, ter vergoeding van de aangerichte schade op het gebouw of werk zélf geen verhaal mogelijk zijn.9 Tot slot nog de ‘nadere regel’ van lid 1 van art. 6:180, die bepaalt dat in geval van medebezit van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken iedere medebezitter tegenover de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk is. Dit wordt redelijk geacht omdat elke medebezitter in dezelfde relatie tot de schadeveroorzakende staat,10 terwijl zodoende bovendien wordt voorkomen dat de benadeelde onderzoek moet doen naar het aantal medebezitters en ieders aandeel in de zaak.11
De zojuist besproken ‘nadere regels’ vervangen de bezitter steeds door een ‘bijzonder’ persoon, omdat deze wordt geacht – in vergelijking met de bezitter – in de beste positie te verkeren invloed uit te oefenen op de aan de zaak verbonden risico’s en schade te voorkomen.12 Aan de vervanging van de bezitter door de ouder/voogd ingevolge art. 6:183 lid 2 ligt bovendien nog een nadrukkelijk deep pocket-argument ten grondslag. Hoewel alle voornoemde ‘bijzondere’ personen de bezitter vervangen en de exclusieve werking van art. 6:181 aldus ook hen regardeert, blijkt dit niet eenvormig uit de redactie van afd. 6.3.2 BW. Zo is de in art. 6:174 lid 2, eerste zin neergelegde aansprakelijkheid van de erfpachter opgenomen in art. 6:181 lid 1 zelf, kent de ouder/voogd in art. 6:183 lid 2 een eigen tenzij-clausule die naar art. 6:181 wijst, terwijl voor de medebezitter uit art. 6:180 lid 1 en verkrijger onder opschortende voorwaarde uit art. 6:180 lid 2 daarentegen én geen vermelding in art. 6:181 lid 1 zelf én geen eigen verwijzing naar art. 6:181 geldt. Toch geldt voor al deze ‘bijzondere’ personen – net zoals voor de bezitter – dat in geval van bedrijfsmatig gebruik ingevolge art. 6:181 de kwalitatieve aansprakelijkheid niet op hen maar op de bedrijfsmatige gebruiker rust. Art. 6:181 bepaalt immers in gevallen van bedrijfsmatig gebruik dat ‘de aansprakelijkheid uit art. 6:173 lid 1, 174 lid 1 en lid 2, eerste zin, en 179’ op de bedrijfsmatige gebruiker rust. Dit zijn aansprakelijkheden die niet alleen op de bezitter (kunnen) rusten, maar ook op de ‘bijzondere’ personen die hem vervangen. Ook op een ‘bijzondere’ persoon die plaatsvervangend aansprakelijk is, rust derhalve geen kwalitatieve aansprakelijkheid ingeval een ander als bedrijfsmatige gebruiker heeft te gelden. Dat is ook goed te verklaren, aangezien voor deze persoon – net zoals voor de bezitter zelf –13opgaat dat in geval van bedrijfsmatig gebruik door een ander niet hij maar de bedrijfsmatige gebruiker wordt geacht in de beste positie te verkeren invloed uit te oefenen op de aan de zaak verbonden risico’s en schade te voorkomen.
Zo beschouwd is de voor de ouder/voogd geldende tenzij-clausule in art. 6:183 lid 2 overbodig. Het is namelijk niet deze clausule die de aansprakelijkheid in plaats van op de ouder/voogd op de bedrijfsmatige gebruiker doet rusten, maar reeds art. 6:181 zélf. Het ‘vangnet’ van art. 6:183 lid 2 komt in een voorkomend geval pas in beeld zodra is geconstateerd dat van bedrijfsmatig gebruik ex art. 6:181 géén sprake is. De tenzij-clausule van art. 6:183 lid 2, die dan tóch weer naar de bedrijfsmatige gebruiker verwijst, heeft daarom geen zelfstandige functie.14
Ook het in art. 6:181 lid 1 zelf nog eens opnemen van de erfpachter uit art. 6:174 lid 2, eerste zin komt overbodig voor. Op de erfpachter rust in bepaalde gevallen de (bezitters)aansprakelijkheid van art. 6:174 lid 1. Nu in art. 6:181 lid 1 al naar díe aansprakelijkheid wordt verwezen, hoeft de erfpachter uit art. 6:174 lid 2, eerste zin niet ook nog eens afzonderlijk in art. 6:181 vermeld te worden. Het is echter wel verklaarbaar dat de wetgever daarvoor heeft gekozen. De erfpachter wordt in lid 2 van art. 6:174 namelijk tezamen genoemd met de weg-, waterstaatswerk-, kabel- en leidingbeheerder (art. 6:174 lid 2, tweede zin). De aansprakelijkheid van de vier laatste ‘bijzondere’ personen krijgt haar beslag (wél) volledig buiten art. 6:181 om.15 Wanneer in art. 6:181 lid 1 nu enkel naar lid 1 van art. 6:174 (bezitter) zou worden verwezen – en niet ook naar de erfpachter uit art. 6:174 lid 2 – zou daaruit wellicht de (onjuiste) gevolgtrekking gemaakt kunnen worden dat de erfpachter het spoor van de vier andere ‘bijzondere’ personen (de verschillende beheerders) uit lid 2 van art. 6:174 volgt. Het in art. 6:181 lid 1 verwijzen naar art. 6:174 lid 2 als zodanig is echter ook geen optie, omdat dan de (onjuiste) indruk wordt gewekt dat art. 6:181 óók exclusief kan werken ten opzichte van de vier genoemde beheerders, terwijl deze – anders dan de erfpachter – juist los staan van de ‘voorrangsregel’ van art. 6:181. Als oplossing is er door de wetgever kennelijk voor gekozen de erfpachter (art. 6:174 lid 2, eerste zin), zij het dus strikt genomen ten overvloede, afzonderlijk in art. 6:181 lid 1 te vermelden. In mijn ogen bestond ook een andere optie, namelijk het onderbrengen van de erfpachter niet in art. 6:174 lid 2, eerste zin maar in art. 6:174 lid 1 als laatste zin. De verwijzing naar art. 6:174 lid 2, eerste zin (erfpachter) in art. 6:181 lid 1 had dan achterwege kunnen blijven, terwijl toch duidelijk was dat art. 6:181 óók exclusieve werking heeft jegens de erfpachter van een opstal: de aansprakelijkheid uit art. 6:174 lid 1 (waaronder dan dus die van de bezitter én diens ‘vervanger’ de erfpachter zijn begrepen) wordt immers genoemd in art. 6:181 lid 1.16
In feite is alleen de redactie van art. 6:180 betreffende de medebezitter (lid 1) en verkrijger onder opschortende voorwaarde (lid 2) zuiver vormgegeven, namelijk zónder (overbodige) eigen tenzij-clausule die naar art. 6:181 verwijst en zónder (overbodige) afzonderlijke vermelding in art. 6:181 lid 1 zelf. Deze beide constructies kunnen ook heel wel gemist worden, aangezien zodra art. 6:181 toepasselijk is immers al uit die ‘voorrangsregel’ zélf volgt dat niet wordt toegekomen aan een aansprakelijkheid van een ‘bijzondere’ persoon als de medebezitter (lid 1) of verkrijger onder opschortende voorwaarde (lid 2) uit art. 6:180.17