Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/3.3.2.3
3.3.2.3 Polishouders hebben niet het recht op te zeggen in geval van de civielrechtelijke route
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949881:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De schadeverzekeraar zal met betrekking tot deze schadeverzekeringen in beginsel een voorkeur hebben voor de civielrechtelijke route, aangezien hij de verzekeringnemers bij toepassing van de toezichtrechtelijke route het opzegrecht op grond van art. 3:120 lid 7 Wft geeft. De economische gevolgen van het toepassen van de toezichtrechtelijke route kunnen voor hem relatief groot zijn.
Uit de assurantiebladen begrijp ik dat dit bijvoorbeeld in 2017 is gebeurd bij de overname van de portefeuille met particuliere schadeverzekeringen van Avéro Achmea door ASR.
Zie ook hoofdstuk 8.2.4 van dit onderzoek. Daar bespreek ik het aanpassen van polisvoorwaarden van schadeverzekeringen kort ná de portefeuilleoverdracht. Ik ga daar ook in op het opzeggen van de bestaande schadeverzekeringsovereenkomst door de verkrijgende verzekeraar per prolongatiedatum en het doen van een aanbod tot het aangaan van een nieuwe schadeverzekeringsovereenkomst per dezelfde datum. In deze alinea van hoofdstuk 3.3.2.3 heb ik het over een andere casus. Hier gaat het over het opzeggen van de bestaande schadeverzekeringsovereenkomsten door de “oude” verzekeraar en het doen van een aanbod tot het aangaan van een nieuwe schadeverzekeringsovereenkomst door of namens de “nieuwe” verzekeraar, zodat de polishouder een “nieuwe” verzekeraar krijgt zónder dat contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW plaatsvindt.
Voor het verstrekken van de persoonsgegevens opgenomen in de administratie van de overdragende verzekeraar aan de nieuwe verzekeraar gelden twee vereisten. Op grond van art. 5 lid 1 onder b AVG mag het verstrekken van persoonsgegevens alleen als dat verenigbaar is met het doel waarvoor de gegevens zijn verzameld. Bovendien moet het verstrekken van persoonsgegevens gebaseerd zijn op één van de grondslagen vermeld in art. 6 lid 1 AVG. Van de grondslagen vermeld in art. 6 lid 1 AVG is de grondslag waar men waarschijnlijk gebruik van zou willen maken, de grondslag vermeld in art. 6 lid 1 onder f AVG. De verstrekking van de persoonsgegevens is op grond daarvan rechtmatig indien en voor zover aan de voorwaarde is voldaan dat de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkenen die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen. De afweging tussen enerzijds het belang van de overdragende verzekeraar (de verwerkingsverantwoordelijke) en de verkrijgende verzekeraar (hier: de derde in de zin van art. 6 lid 1 onder f AVG), en anderzijds de belangen van de betrokkenen, zal in het geval dat deze “derde” route wordt gevolgd ongetwijfeld sneller tot de conclusie leiden dat de belangen van de betrokkenen zwaarder wegen, hetgeen er dan toe leidt dat de verstrekking van persoonsgegevens niet mag plaatsvinden, dan in het geval dat voor de portefeuilleoverdracht van de schadeverzekeringen de toezichtrechtelijke route zoals beschreven in de Wft wordt gevolgd of de civielrechtelijke route op grond van art. 6:159 BW. Indien voor de portefeuilleoverdracht de toezichtrechtelijke of de civielrechtelijke route wordt gevolgd, neemt de verkrijgende schadeverzekeraar de rechten en verplichtingen uit de bestaande schadeverzekeringsovereenkomsten over. In het geval dat de “derde” route wordt gevolgd, krijgt de betrokkene een aanbod voor het sluiten van een schadeverzekeringsovereenkomst van een schadeverzekeraar waarvoor de overdragende schadeverzekeraar om hem moverende redenen heeft gekozen en die met de betrokkenen wil contracteren op voorwaarden zoals hij die in gedachten heeft voor deze groep in plaats van de voorwaarden waarvoor zij destijds zelf hebben gekozen. In hoofdstuk 7.4 ga ik verder in op aspecten van de Algemene verordening gegevensbescherming bij portefeuilleoverdrachten.
Opzegrecht polishouders in geval van de toezichtrechtelijke route
In het geval dat de schadeverzekeraar de verzekeringsportefeuille overdraagt via de toezichtrechtelijke route hebben de polishouders na de overdracht het recht de polis op te zeggen. Art. 3:120 lid 7 Wft bepaalt immers dat de bij de overdracht door een schadeverzekeraar betrokken verzekeringnemers, gedurende drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie over de overdracht die heeft plaatsgevonden is geplaatst, het recht hebben de schadeverzekering op te zeggen met ingang van de dag na afloop van deze termijn. Dit recht hebben zij niet als de civielrechtelijke route wordt gevolgd.
Keuze polishouder tussen wel of niet medewerking verlenen in geval van de civielrechtelijke route
Als de civielrechtelijke route wordt gevolgd, heeft de polishouder de keuze tussen wel of niet medewerking verlenen aan de overdracht van de met hem gesloten schadeverzekeringsovereenkomst. In het geval dat de verzekeringnemer besluit geen medewerking te verlenen, blijft hij verzekerd bij de schadeverzekeraar die de overeenkomst wilde overdragen. In het geval dat hij wel (stilzwijgend of uitdrukkelijk) medewerking verleent, gaat de schadeverzekeringsovereenkomst over naar de verkrijgende schadeverzekeraar. In het geval dat de verzekeringnemer besluit geen medewerking te verlenen, is de kans groot dat de schadeverzekeraar die de verzekeringsovereenkomst wilde overdragen besluit om de polis op de prolongatiedatum niet te verlengen. In hoofdstuk 1.5 heb ik een aantal opmerkingen gemaakt over de contractstermijnen van particuliere en zakelijke schadeverzekeringen. Bij schadeverzekeringsovereenkomsten komen steeds meer overeenkomsten voor met een korte looptijd. Met name bij zakelijke verzekeringen komen lange contractstermijnen wel voor. Vooral bij zakelijke schadeverzekeringen zou het dus kunnen voorkomen dat de verzekeraar die een verzekeringsportefeuille wil overdragen ná de portefeuilleoverdracht toch nog geruime tijd de verzekeraar is met betrekking tot een aantal polissen, indien hij voor wat betreft de portefeuilleoverdracht voor de civielrechtelijke route1 heeft gekozen.
Einde van de verzekeringsovereenkomst
Het komt er dus in essentie op neer dat in het geval van de toezichtrechtelijke route de verzekeringnemer die niet verzekerd wenst te zijn bij de verkrijgende schadeverzekeraar de schadeverzekeringsovereenkomst op grond van het bepaalde in art. 3:120 lid 7 Wft zal opzeggen bij de verkrijgende schadeverzekeraar, terwijl in het geval dat de civielrechtelijke route wordt gevolgd de schadeverzekeringsovereenkomst met de verzekeringnemer die niet verzekerd wenst te zijn bij de verkrijgende verzekeraar door de overdragende verzekeraar waarschijnlijk op de prolongatiedatum van de schadeverzekeringsovereenkomst niet wordt verlengd. De overdragende schadeverzekeraar zal immers een reden hebben gehad waarom hij de desbetreffende schadeverzekeringen niet meer in zijn verzekeringsportefeuille wenst te hebben. De verzekeringnemer zal dan op zoek moeten naar een derde verzekeraar die deze soort schadeverzekeringen aanbiedt om zich bij te verzekeren. Vanuit het perspectief van de overdragende schadeverzekeraar leidt dit tot de conclusie dat het niet verstandig is de civielrechtelijke route te volgen in het geval van een verzekeringsportefeuille met schadeverzekeringen waarbij de polissen relatief lange contractstermijnen hebben als het risico bestaat dat verzekeringnemers hun (stilzwijgende of uitdrukkelijke) medewerking weigeren.
Derde route
Strikt genomen brengt ons dit overigens ook nog op een derde mogelijke route voor een transactie tussen twee schadeverzekeraars, namelijk de route waarin de overdragende schadeverzekeraar alle polissen opzegt per de prolongatiedatum van de desbetreffende schadeverzekering en waarin namens de verkrijgende schadeverzekeraar per die datum aan de verzekeringnemers een nieuwe schadeverzekeringsovereenkomst wordt aangeboden.2 Bij het opzeggen van een bestaande verzekeringsovereenkomst moet op grond van art. 7:940 lid 1 BW een opzegtermijn van twee maanden in acht worden genomen.3 In dat geval kunnen de verzekeringnemers er dus voor kiezen het aanbod, dat hen namens de verkrijgende schadeverzekeraar wordt gedaan om een nieuwe polis te sluiten, al dan niet te aanvaarden. Ik veronderstel dat de voorschriften van de Algemene verordening gegevensbescherming er in beginsel aan in de weg staan dat de “oude” verzekeraar het klantenbestand verrijkt met informatie wie wat voor soort schadeverzekering heeft (inclusief de details daarvan zoals verzekerde objecten, verzekerde bedragen en dergelijke) overdraagt aan de “nieuwe” verzekeraar die het aanbod gaat doen.4 Deze methode vereist dus naar mijn mening volledige medewerking van eventueel betrokken assurantietussenpersonen waarmee zowel de overdragende verzekeraar als de verkrijgende verzekeraar een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten. Zij moeten bereid zijn een aanbod namens de “nieuwe” verkrijgende schadeverzekeraar te versturen. Mijns inziens is dit gelet op de zorgplicht van de betrokken assurantietussenpersonen een methode waar toch wel juridische haken en ogen aanzitten, omdat het nog maar de vraag is of de polis die wordt aangeboden namens de “nieuwe” verkrijgende schadeverzekeraar in alle gevallen voor de desbetreffende klanten de beste optie is.