Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.8
3.8 Samenhangcriterium is niet noodzakelijkerwijs wederzijds
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950347:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.2.
Vgl. Asser/Sieburgh 6-II 2021/226, die in verband met het leerstuk van verrekening opmerkt dat ‘het zich zeer wel kan voordoen dat bij twee tegenover elkaar staande vorderingen slechts een van beide schuldenaren tot verrekening bevoegd is’. Zie anders Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/42, die opmerkt dat men ‘wellicht (…) nog het meest in de richting van een algemene maatstaf voor het samenhangvereiste komt door te onderzoeken of de verbintenissen, in het bijzonder gelet op hun wijze van ontstaan, over en weer gebruikt mogen worden als pressiemiddel en ter dekking van het risico van insolventie van de wederpartij’. Daarbij verwijst Wolters naar Nieskens-Isphording & Van der Putt-Lauwers 1978, p. 897-898, die Suijling onderschrijven. Suijling 1934, p. 435 betoogt dat ‘overal waar twee partijen als debiteur en crediteur tegenover elkander staan en hun vorderingsrechten tot dezelfde rechtsbetrekking behooren, d.i. uit dezelfde oorzaak ontstaan zijn, over en weer de bevoegdheid tot retentie (…) [mag] worden ingeroepen’. Zie ook Asser/Hijma 7-I 2019/752 (“De opschortingsmogelijkheden van de koper en die van de verkoper vormen elkaars spiegelbeeld.”) en Logmans 2011, p. 51.
Zie ook § 2.4.
HR 27 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0558, NJ 1992/378 (Arel/Van de Stolpe). Zie ook het voorbeeld in § 4.6.3, onderdeel a.
Vanuit het perspectief van Arel betreffen de verbintenissen over en weer een schadevergoedingsvordering en een loonbetalingsverplichting. Vanuit het perspectief van Van de Stolpe zijn deze wederzijdse verbintenissen een loonbetalingsvordering en een schadevergoedingsverplichting.
Zie over de waardeverhouding § 6.3.2.
Zie over de opeisbaarheid § 3.4.3 en § 3.6.1.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 208. Zie voor een voorbeeld van een wederzijds beroep op een opschortingsrecht Rb. Midden-Nederland 22 februari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:3196, r.o. 4.2; Rb. Den Haag 23 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12399, r.o. 4.22; Rb. Midden-Nederland 19 oktober 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4488, r.o. 5.17; Rb. Gelderland 6 april 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:1760, r.o. 4.13 en RvA Bouw, 3 september 2010, ECLI:NL:XX:2010:BO7597, BR 2010/195, m.nt. M.R. Lim. Klomp 2018a, aant. 8, legt het arrest HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:95, NJ 2014/236, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Kenter/Slierings)ook uit als een dergelijk geval.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 203.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 203, en zie ook p. 208-209. Hijma 2009, par. 4, spreekt van ‘de roemruchte ‘hokvraag’’. Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 24 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:181, r.o. 3.23 en 3.24 (“Daarmee hokt de nakoming als eerste bij ATS, zodat [appellanten] zich in hun brief van 18 augustus 2020 bevoegdelijk op een opschortingsrecht hebben beroepen.”); Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2671, r.o. 2.57 (“De nakoming (…) als eerste hokte bij Exact. De conclusie is derhalve dat TNO haar prestaties uit hoofde van ACRE2 (als eerste) mocht opschorten.”); Hof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7567, r.o. 5.6 (‘de nakoming het eerste hokte bij [geïntimeerde]) (…) en dat haar daarom geen beroep toekomt op een opschortingsrecht’.) en Rb. Den Haag 3 mei 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:4571, r.o. 4.93 (‘dat het hier in beginsel [A] was die mocht opschorten, aangezien de nakoming het eerst bij [de B.V.] heeft gehokt;’). Vgl. voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 13 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10644, r.o. 5.29; Hof ’s-Hertogenbosch 5 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2189, r.o. 7.27 en Rb. Noord-Holland 13 juli 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:6119, r.o. 5.7.
Onder verwijzing naar de Dikke Van Dale merkt A-G Huydecoper in zijn conclusie van 11 januari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BB7195, par. 19, voetnoot 14, op dat hokken ‘haperen, stuiten, stokken’ betekent. Zie voor haperen ook Hijma 2009, par. 3 en voor stokken ook Logmans 2011, p. 51.
Zie echter concl. A-G Huydecoper 11 januari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BB7195, par. 21, waar hij opmerkt dat niet meteen duidelijk is wat onder ‘hokken’ wordt verstaan en waar hij verschillende mogelijke lezingen daarvan opwerpt. Zie bijv. HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:437, RvdW 2023/379 (Capgemini), r.o. 3.1.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3700, r.o. 4.6 en Hof Amsterdam 18 april 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:976, r.o. 3.14.3.
Zie § 2.4.
Zie bijv. Rb. Noord-Holland 6 oktober 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:8739, r.o. 4.8 en GEA van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 15 augustus 2022, ECLI:NL:OGEABES:2022:16, r.o. 37.
Zie voor meer voorbeelden § 4.3.1, onderdeel e.
Zie § 2.7.1.
Zie ook Hijma 2009, par. 2.
HR 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7195, NJ 2009/342, m.nt. Jac. Hijma, BR 2008/45, m.nt. M. Fokkema (Hartendorp/Kooij), r.o. 3.5.3. Zie over dit arrest ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/21; Van Nispen, Sancties in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A11) 2018/44; Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/8.1; Schelhaas & Stolp 2009 en Lok 2008. Zie voorts § 3.6.4. Zie voor een vergelijkbaar geval het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden 12 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1731, r.o. 4.16, dat door de Hoge Raad is gesauveerd (HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1530, RvdW 2014/895 (art. 81 RO)).
Hijma 2009, par. 2 en Schelhaas & Stolp 2009, p. 60. Zie ook § 2.7.1.
Doorgaans is een van de kenmerken van een geval waarop het algemene opschortingsrecht van toepassing is dat partijen elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn. Elk van de betrokken partijen heeft zowel een vorderingsrecht op de andere partij als een schuld jegens die andere partij.1 De bevoegdheid van de schuldenaar om de nakoming van zijn verbintenis op te schorten in verband met zijn vordering op zijn wederpartij betekent evenwel niet dat ook voor wat betreft de verbintenis van de wederpartijen haar vordering op de schuldenaaraan het samenhangcriterium is voldaan en deze wederpartij dus eveneens opschortingsbevoegd is.2 De vraag of de wederpartij opschortingsbevoegd is, is niet beantwoord met het gegeven dat de schuldenaar opschortingsbevoegd is op grond van artikel 6:52 lid 1 BW, maar vergt een zelfstandige beoordeling van de vereisten van het algemene opschortingsrecht, waaronder een beoordeling van het samenhangcriterium. Die beoordeling komt neer op de vraag of – in dat geval – de schuldenaar in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door nakoming te verlangen zonder zijnerzijds nakoming aan te bieden. Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat de schuldenaar opschortingsbevoegd is, omdat de eerdere ongerechtvaardigde doorbreking of dreigende doorbreking van de gelijktijdige nakoming door zijn wederpartij een omstandigheid is die met zich brengt dat de schuldenaar in beginsel wél nakoming mag verlangen zonder zijnerzijds nakoming aan te bieden.3 Aldus is niet noodzakelijkerwijs wederzijds of spiegelbeeldig aan het samenhangcriterium voldaan. Een concretisering aan de hand van het arrest Arel/Van de Stolpe kan dit verhelderen.4Dit arrest gaat over het meer voorkomende geval waarin de schuldenaar de nakoming van zijn betalingsverbintenis opschort in verband met zijn vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie onder dezelfde overeenkomst.
Van de Stolpe vorderde in conventie veroordeling van Arel tot betaling van facturen beperkt tot ƒ 5.000. Arel schortte de nakoming van deze betalingsverplichting op in verband met zijn reconventionele vordering tot onder andere schadevergoeding uit hoofde van wanprestatie onder dezelfde opdracht, in totaal begroot op ƒ 5.000. De verbintenissen over en weer zijn opeisbaar. Gesteld dat Van de Stolpe in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou handelen door nakoming van de betalingsverplichting van Arel te verlangen zonder gelijktijdig betaling van de door Arel geleden schade aan te bieden, dan heeft Arel in beginsel het recht zich te onthouden van de nakoming van zijn betalingsverplichting totdat Van de Stolpe de door Arel geleden schade heeft vergoed. Tussen de schadevergoedingsvordering en de betalingsverplichting bestaat voldoende samenhang om deze opschorting te rechtvaardigen. Schematisch kan dit als volgt worden weergegeven:
Dit kan niet zonder meer worden omgedraaid. Dat tussen de schadevergoedingsvordering en de loonbetalingsverplichting voldoende samenhang bestaat om opschorting van de loonbetalingsverplichting te rechtvaardigen, betekent niet dat dan dus ook tussen de loonbetalingsvordering en de schadevergoedingsverplichting voldoende samenhang bestaat om opschorting van de schadevergoedingsverplichting te rechtvaardigen.5 Schematisch zou dit als volgt kunnen worden weergegeven:
Voor de vraag of tussen de loonbetalingsvordering en de schadevergoedingsverplichting ook voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen, dient te worden beoordeeld of Arel in de gegeven omstandigheden in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou handelen door nakoming van de schadevergoedingsvordering te verlangen zonder nakoming van de loonbetalingsverplichting jegens Van de Stolpe aan te bieden. Zou dat zo zijn, dan bestaat tussen de loonbetalingsvordering en de schadevergoedingsverplichting eveneens voldoende samenhang om opschorting van de schadevergoedingsverplichting te rechtvaardigen.
Dat ook Van de Stolpe opschortingsbevoegd is op grond van artikel 6:52 lid 1 BW zou een niet ondenkbare conclusie kunnen lijken. Over en weer bestaan opeisbare betalingsverplichtingen van vergelijkbare waarde.6 Beide partijen kunnen terstond hun respectieve verbintenis nakomen en nakoming door de ander vorderen.7 Waarom zou dan wel de ene partij zijn nakoming mogen uitstellen teneinde de andere partij tot nakoming te dwingen en niet viceversa? Zo zou een opschortingsimpasse kunnen ontstaan. Ook de wetgever hield voor mogelijk dat partijen zich in een concreet geval over en weer op een opschortingsrecht zouden kunnen beroepen.8 Het ontstaan een opschortingsimpasse deed de wetgever evenwel af als een ‘academisch geval’.9 Volgens hem is ‘voor de vraag wie, in gevallen van gelijk oversteken – niet de enige gevallen – mag opschorten, beslissend bij wiens wederpartij de nakoming het eerst hokt’.10 De wederpartij (schuldenaar) van de partij wiens nakoming hapert11 (schuldeiser) mag de nakoming van haar verbintenis opschorten als aan de overige vereisten van het algemene opschortingsrecht is voldaan.12 De eerdere niet-nakoming door de schuldeiser is een omstandigheid die met zich kan brengen dat de schuldenaar wel nakoming mag verlangen zonder zijnerzijds nakoming aan te bieden.13 Daarom ligt in dit geval een opschortingsimpasse niet voor de hand, omdat de nakoming het eerst heeft gehokt bij Van de Stolpe.14 Naar vaste rechtspraak is het ook de door de wanprestatie gelaedeerde die doorgaans het opschortingsrecht heeft.15 Voorts kan zijn wederpartij – de schuldeiser in de zin van artikel 6:52 lid 1 BW – dan op grond van artikel 6:59 BW in schuldeisersverzuim verkeren en vanwege het bepaalde in artikel 6:54 aanhef en onderdeel a BW niet opschortingsbevoegd zijn.16
De vraag of een opschortingsimpasse zou kunnen ontstaan, bleek minder academisch dan door de wetgever voorzien.In het geval dat leidde tot het arrest Hartendorp/Kooij konden beide partijen op het beslissende, fatale tijdstip waarop zij gelijktijdig dienden na te komen, onafhankelijk van elkaar niet nakomen. De rechtsvraag die voorligt, is of partijen in dit geval een beroep op een opschortingsrecht kunnen doen.17De Hoge Raad overwoog:
“In een zodanig geval moet worden aangenomen (zoals ook volgt uit hetgeen is opgemerkt in Parl. Gesch. Boek 6, blz. 1003) dat beide partijen op grond van de tekortkoming in de nakoming van de prestatie van de ander bevoegd zijn tot ontbinding. Het doet er dan niet toe bij welke partij de nakoming het eerst hokt, omdat de beantwoording van die vraag slechts zin heeft indien (ten minste) een van beide partijen wel tot nakoming in staat is, maar die nakoming opschort vanwege het niet presteren van de andere partij.”18
In het gebruik van de term ‘tekortkoming’ ligt besloten dat de Hoge Raad overwoog dat aan beide partijen in dit geval geen beroep op een opschortingsrecht toekomt, want een schuldenaar die de nakoming van zijn verbintenis bevoegd zou opschorten, schiet niet tekort in de nakoming van zijn verbintenis.19 Zou dit anders zijn, dan zou een opschortingsimpasse kunnen ontstaan of kan de vraag zich opdringen welke van de twee partijen het algemene opschortingsrecht mag uitoefenen. In voornoemde benadering valt een opschortingsimpasse niet te verwachten. Duidelijk is dat de schuldenaar van de wederpartij die de vereiste gelijktijdige nakoming het eerst ongerechtvaardigd doorbreekt of dreigt te doorbreken een opschortingsrecht op grond van artikel 6:52 BW heeft.