Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.6.2
2.6.2 Ten behoeve van de uitvoering van de belastingwet(ten)
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285278:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Aanschrijving Minister van Financiën van 26 januari 1894, nr. 41, opgenomen in P.W. nr. 8572 en art. 1 Algemeene Instructie (1919) (I.V.).
Hoge Raad (strafkamer) 19 november 1894, Weekblad van het recht 1894, nr. 6586, blz. 1-2. Vergelijk: Van Walsum 1900, blz. 330, nr. 502 en MvT, Kamerstukken II 1914/15, 295, nr. 3, blz. 9.
MvT, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 3, blz. 21. Ingeval sprake was van een samenloop van de Wet op de BB 1893 met de Wet VB 1892 werd aan de commissie van aanslag een inspecteur der registratie toegevoegd (art. 19, eerste lid, onderdeel b, Wet op de BB 1893).
MVA, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 6, blz. 68 en blz. 85. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de uitwisseling van gegevens voor beide belastingwetten zag op andere personen dan de belastingplichtige.
VV, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 5, blz. 60 en MvA, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 6, blz. 89. De suggestie tot het instellen van één centraal bureau waar alle gegevens betreffende de Wet VB 1892 en Wet op de BB 1893 zou worden verzameld, vergeleken en verwerkt ging nog te ver (VV, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 5, blz. 26). Uit het (ingetrokken) voorstel tot Wet IB 1908 blijkt dat volgens de Minister van Financiën de geheimhoudingsbepalingen zich niet zouden verzetten tegen het verzamelen van gegevens door een dergelijk bureau en dit dus het overwegen waard zou zijn (MvA, Kamerstukken II 1907/08, 22, nr. 1, blz. 21).
MvT, Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 3, blz. 14. In het (ingetrokken) wetsvoorstel op de Pensioenbelasting 1916 werd expliciet bepaald dat bezwaren tegen de aanslag inkomstenbelasting (en verzoeken om ontheffing van die belasting) werden geacht ook gericht te zijn tegen de pensioenbelasting (art. 4, tweede lid, Ontwerp van wet (Wet op de Pensioenbelasting 1916), Kamerstukken II 1915/16, 206, nr. 2. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 24 oktober 1918, Kamerstukken II 1918/19, 55, nr. 1). Vergelijkbare bepalingen zijn terug te vinden in art. 10 en art. 11 Ontwerp van wet (Wet op de Vlootbelasting 1916), Kamerstukken II 1915/16, 208, 2. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 24 oktober 1918, Kamerstukken II 1918/19, 55, nr. 1.
MvT, Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 3, blz. 42 en Sinninghe Damsté 1931, blz. 477.
MVA, Kamerstukken II 1913/14, 18, nr. 10, blz. 65. Vergelijk: MVA, Kamerstukken II 1912/13, 44, nr. 1, blz. 7, Toelichting op NvW, Kamerstukken II 1913/14, 18, nr. 2, blz. 5 en VV, Kamerstukken II 1913/14, 18, nr. 9, blz. 51 en 52. Het betroffen de Rijksbelastingen en niet de gemeentelijke heffingen (zie uitgebreider: par. 7.1 hierna).
MvT, Kamerstukken II 1915/16, 211, nr. 3, blz. 17. Art. 18 Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1915/16, 211, nr. 2, vernummerd naar art. 17 bij Gewijzigd ontwerp van wet, Kamerstukken II 1915/16, 211, nr. 7. Ook onder de Registratiewet 1970 is het gebruik van de informatie uit de akten voor de uitvoering van de belastingwetgeving een van de primaire doelen (B.M. van der Sar, Het gebruik van de (digitale) notariële akte door de Belastingdienst, WPNR 2015/7071).
Wet van 11 januari 1918, tot heffing eener dividend- en tantième-belasting (Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917), Kamerstukken II 1917, 212, Stb. 1918, 4. Het eerdere wetsvoorstel (Kamerstukken II 1916/17, 28) werd ingetrokken voorafgaand aan de ontbinding van de Eerste en Tweede Kamer als gevolg van de Grondwetswijziging van 1917 (art. 195 GW (1917)). De vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1915/16, 202. Zie ook: De Klerck 1927, blz. 5.
Art. 44 Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1915/16, 202, nr. 2, art. 32 Gewijzigd ontwerp van wet, Kamerstukken II 1915/16, 202, nr. 7 en vernummerd naar art. 33 Wet op de DT 1917.
Wet van 21 december 1950 op de personele belasting (Wet op de personele belasting 1950), Kamerstukken II 1950/51, 1408, Stb. 1950, K 598.
MvT, Kamerstukken II 1950/51, 1957, nr. 3. Vergelijk: Kamerlid Ritmeester die bij de parlementaire behandeling een voorbeeld aanhaalt van de Centrale Vermogensopsporingsdienst die in strijd met de geheimhoudingsbepalingen inzage heeft gehad in fiscale dossiers (Handelingen II 1951/52, blz. 1869).
Wet van 23 april 1952 houdende bepalingen inzake vervanging van het fiscale noodrecht (Wet vervanging van het fiscale noodrecht), Kamerstukken II 1950/51, 1957, Stb. 1952, 191. Hiervan werden in art. 1, onderdeel b, Wet VFN uitgezonderd: de invoerrechten en de accijnzen, de bijzondere wijnbelasting en de belasting der gouden en zilveren werken.
Zie ook: Erasmus die schrijft dat: “Een bepaling als in art. 9 van het ontwerp komt wel in vele, doch niet in alle Rijksbelastingwetten voor. Daarom is het wenselijk te bepalen, dat hetgeen ingevolge een bij deze wet opgelegde verplichting bekend wordt of wordt medegedeeld niet verder mag worden bekendgemaakt dan nodig is voor de uitoefening van het ambt of de betrekking” (W.P. Erasmus, Vervanging van het fiscale noodrecht, WFR 1950/437).
De ten behoeve van de Wet VB 1892 verkregen gegevens mochten – ten tijde van de invoering van de wet – uitsluitend worden gebruikt voor de uitvoering van de Wet VB 1892.1 Logischerwijs was ook tussen belastingdienstmedewerkers onderling strikte geheimhouding voorgeschreven.2 De Hoge Raad bevestigde dat de opgelegde geheimhoudingsplicht van art. 47 Wet VB 1892: “(…) haar grens vindt dààr waar de uitoefening van het ambt de openbaring van het geheim vordert, doch dat overigens op de verplichting tot geheimhouding geen uitzondering is gemaakt”.3 Nog geen jaar na de inwerkingtreding van de Wet VB 1892 – bij de behandeling van de Wet op de BB 1893 – behoefde het volgens de Minister van Financiën geen bijzondere toelichting dat de inspecteur der registratie (belast met de uitvoering van de Wet VB 1892) en de ambtenaren der directe belastingen (belast met de uitvoering van de Wet op de BB 1893) elkaar bij de aanslagregeling van beide belastingen behulpzaam moesten zijn.4 Naar aanleiding van vragen werd in de memorie van antwoord aangegeven dat voorkomen moest worden dat personen die al inlichtingen aan de inspecteur der registratie hadden verstrekt dit nogmaals zouden moeten doen aan de commissie van aanslag.5 Dat het op voorhand niet duidelijk was hoe ver deze inlichtingenverplichting strekte werd door Minister Pierson erkend, maar de bedoeling van het voorschrift was volgens hem duidelijk.6
Ook bij de parlementaire behandeling van de Wet IB 1914 bestond geen discussie over nut en noodzaak om gegevens tussen de verschillende inspecteurs uit te wisselen ten behoeve van de verschillende belastingen.7 Hieronder werden ook begrepen de Indische ambtenaren in de toenmalige koloniën.8 De beschikbare gegevens zouden aan de gehele belastingadministratie dienstbaar moeten zijn om te komen tot een juiste belastingheffing.9 Uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat het hierbij nog steeds ging om de juiste belastingheffing van één belastingplichtige voor meerdere belastingmiddelen. Ook nadien in de RW 1917 werd in de memorie van toelichting uitdrukkelijk opgemerkt dat – ondanks de geheimhouding – de gegevens dienstbaar moesten worden gemaakt aan de toepassing van andere belastingwetten en aan de opsporing van (fiscaal) strafbare feiten.10 In de Wet op de DT 1917 werd de bestaande praktijk om gegevens binnen de Belastingdienst te gebruiken vastgelegd in de wet zelf.11 In het ontwerp van wet stond nog dat de gegevens eveneens konden worden gebruikt voor “de invordering [onderstreping VDS] van eenige aan den lande verschuldigde belasting". In het Gewijzigd ontwerp van wet werd dit – zonder nadere toelichting – aangepast naar “de heffing [onderstreping VDS] van eenige aan den lande verschuldigde belasting".12 Een bijzondere, zeer algemene formulering werd opgenomen in art. 44 Wet PB 1950 waarin werd bepaald dat de gegevens mochten worden gebruikt “in 's Rijks belang”.13Dit algemene gebruik werd niet nader toegelicht of geconcretiseerd en kwam later nog in art. 79 SW 1956 voor.
Direct na de Tweede Wereldoorlog zijn ingrijpende fiscale maatregelen genomen die bestonden uit zowel het opleggen van nieuwe belastingen als het invoeren van bepalingen om een juiste belastingheffing te bevorderen en waarborgen te scheppen voor de betaling van de verschuldigde belasting.14 In art. 10 van het Buitengewoon Navorderingsbesluit was een nagenoeg ongeclausuleerde informatieverplichting opgenomen ten behoeve van de uitvoering van dat besluit of de heffing van ‘eenige Rijksbelasting’. Met de Wet VFN werd de ontwikkeling waarbij fiscale gegevens konden worden gebruikt ten behoeve van de uitvoering van alle (rijks)belastingwetten afgerond.15 De op grond van de Wet VFN verkregen informatie kon – ongeacht in het kader van welke specifieke belastingwet de informatie was verkregen – gebruikt worden voor alle materiële (rijks)belastingwetten waarop de Wet VFN van toepassing was.16