Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/6.3.1
6.3.1 Het goede gronden criterium
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685386:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Onder 16 van bijlage 1 van zijn conclusie, ECLI:NL:RVS:2019:896, merkt A-G Wattel ook op dat ‘erkenning van toerekenbare schijn van bevoegdheid’ niet nieuw is. Zie ook Vermeer 2006a, p. 289-293.
ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1946, AB 2017/425, rov. 6.1 (Overbetuwse paardenbak). Zie tevens bijv. ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1128, JB 2020/134.
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, AB 2019/302 (Dakterras), rov. 11.3.
Zie bijv. ABRvS 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2175, JB 2020/185.
Zie bijv. Rb. Oost-Brabant 12 augustus 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:4288, rov. 3.7-3.8.
Zie bijv. Rb. Amsterdam 20 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2864. Vgl. Rb. Midden-Nederland 12 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:58 waarin uitlatingen van de vergunningverlener Groene Wetten gelet op zijn functie aan GS van de Provincie Utrecht werden toegerekend.
In ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1838, AB 2019/306, rov. 2.2 benadrukt de Afdeling dit met verwijzing naar de nieuwe lijn. Vgl. ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1732, rov. 4.1, waarin sprake was van mededelingen van een medewerker van het gemeentelijke frontoffice. Die mededelingen kunnen naar hun aard niet aan het college van B&W worden toegerekend. Kritisch hierover: Groot & Damen 2019, onder 4.1, die menen dat dit in strijd is met het te hanteren burgerperspectief. Zie tevens kritisch Marseille & De Graaf 2019, onder 6.
Par. 3.3.
Zie bijv. ABRvS 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3181, AB 2017/174. In de regel kon een belanghebbende vóór de Dakterras-uitspraak echter geen rechten ontlenen aan toezeggingen van niet ter zake beslissingsbevoegden, zie ABRvS 17 december 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AO0244; ABRvS 28 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2588; ABRvS 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5102, AB 2013/347 en CBb 27 oktober 2016, ECLI:NL:CBB:2016:333, AB 2016/432. Een bestuursorgaan kan een toezegging wel voor zijn rekening nemen: ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6880, JB 2012/181. In ABRvS 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:638, AB 2021/246 (Uitwerkingsplan Enkhuizen) werden toezeggingen toegerekend aan de gemeenteraad die hij op zitting in een andere procedure had gedaan, rov. 10.2.
Zie De Sterke 1989 en Schoonenberg 1990, p. 102. Uiteraard kunnen ambtenaren een mandaat hebben om namens een bestuursorgaan besluiten te nemen. Die gevallen zijn hier niet aan de orde, nu het gaat om toerekening in geval van een onbevoegde toezegging. Overigens was dit niet alleen bij de Afdeling rechtspraak het geval, zie bijv. CBb 27 december 1977, ECLI:NL:CBB:1977:ZB0299, AB 1978/334.
ARRvS 26 januari 1982, ECLI:NL:RVS:1982:AM6343, AB 1982/267.
ARRvS 27 november 1981, ECLI:NL:RVS:1981:AM6224, AB 1982/139.
Zie voor het aannemen van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid bijv. ook ARRvS 23 april 1985, ECLI:NL:RVS:1985:AM8919, AB 1986/378.
De Sterke 1989. Menu 1994, p. 29 constateert een ontwikkeling die wijst op een toenemende honorering van onbevoegd gedane toezeggingen. Die toets is ‘of de burger in redelijkheid mocht afgaan op de gewekte ‘schijn van bevoegdheid’’. Hij constateert dezelfde gezichtspunten als in de hedendaagse rechtspraak voor de schijn van bevoegdheid: of het beslissingsbevoegde orgaan door eigen handelen of nalaten de schijn van bevoegdheid in het leven heeft geroepen, in welke (maatschappelijke) positie de burger verkeert alsmede de positie en het gedrag van de onbevoegde toezegger.
ABRvS 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1398.
ABRvS 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:358, AB 2015/154.
CRvB 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:39, AB 2015/433.
ABRvS 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1584, AB 2017/238.
ABRvS 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1584, AB 2017/238, rov. 4.3.
Zie 1.6-1.22 van bijlage 2 en onder 3.17-3.21 conclusie A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel, ECLI:NL:RVS:2019:896. In bijv. de Vitesse-arresten HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5420, NJ 2010/371, AB 2010/334 (Gelderland/Vitesse I) en HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1309, NJ 2016/300, AB 2016/405 (Vitesse/Gelderland II) stond een overschrijding van de wettelijke bevoegdheidsverdeling (als gevolg waarvan de provincie niet was gehouden tot nakoming van ongeldige toezeggingen) niet in de weg aan civiele overheidsaansprakelijkheid wegens het ten onrechte wekken van vertrouwen (zie hoofdstuk 8-10).
Zie Damen 2018b, p. 54-55 die betoogt dat de bestuursrechter meer zou moeten aansluiten bij de gezichtspunten uit het arrest HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZB1223, NJ 1993/287, AB 1993/338 (Felix/Aruba).
Onder 3.18 conclusie A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel, ECLI:NL:RVS:2019:896.
CRvB 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351, AB 2020/217.
CRvB 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351, AB 2020/217, rov. 4.5.2.
CBb 3 november 2020, ECLI:NL:CBB:2020:786, rov. 3.4. De eerste twee stappen worden in die uitspraak samen beoordeeld.
ABRvS 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2441, AB 2022/85.
Rb. Zeeland-West-Brabant 30 juli 2020, ECLI:NL:RBZWVB:2020:3565, rov. 5.3.2.
Schuurmans 2021a, par. 6. Zie ook Blomberg & Grapperhaus 2022, par. 2 die Van Ettekoven aanhalen: “Lijnen zijn weinig flexibel en niet gericht op (de bescherming van) het individu, wat kan leiden tot een onrechtvaardige uitkomst in een individueel geval.” Zie ook Verslag van de werkgroep rechterlijke oordeelsvorming. Ten behoeve van de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de kinderopvangtoeslagzaken, november 2021, par. 4.4, waarin wordt benadrukt dat de hoogste bestuursrechter moet koersen op een balans tussen rechtseenheid en rechtszekerheid enerzijds en individuele rechtsbescherming anderzijds. Blomberg & Grapperhaus 2022 halen ook Van der Grinten aan, die terecht opmerkt dat de tegenstelling tussen lijn en maatwerk niet zo scherp hoeft te zijn. “Een lijn moet steeds een middenweg vinden tussen duidelijkheid en de mogelijkheid maatwerk te bieden.” Zie ook het Rapport werkgroep reflectie toeslagenaffaire rechtbanken. Recht vinden bij de rechtbank. Lessen uit kinderopvangtoeslagzaken, par. 6.3.2 over maatwerk. “Wij menen dat de rechtbanken gelet op hun specifieke rol als eerstelijnsrechter bij de behandeling van zaken een groter gewicht mogen toekennen aan het bieden van rechtsbescherming in het individuele geval (door maatwerk en uitvoeriger feitenonderzoek) dan aan uniforme toepassing van het recht.”
Zie bijv. Groot 2020. Het kan ook zijn dat niet nader wordt toegelicht waarop de ‘goede gronden’ zijn gebaseerd, Rb. Noord-Holland 17 juni 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:6810, rov. 7.
Zie hoofdstuk 11.
Par. 8.2.1.
Een verklaring ‘van horen zeggen’ van iemand die zegt contact te hebben gehad met het bevoegde orgaan is bijvoorbeeld onvoldoende om te kunnen veronderstellen dat een uitlating van het bevoegde orgaan afkomstig is of daaraan kan worden toegerekend, zie CRvB 22 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3516, rov. 4.4.5. De toezegging was afkomstig van een consulent. De CRvB overweegt in rov. 4.4.5: “De consulent wijst er weliswaar op dat zij de klantmanager had gevraagd of de beleggingsrekening gevolgen had voor de uitkering en dat de klantmanager daarover kon worden gebeld, maar deze verklaring van horen zeggen biedt onvoldoende aanknopingspunten om deze toezegging toe te rekenen aan het college. Onduidelijk is wat de klantmanager de consulent op basis waarvan heeft verteld.”
Conclusie A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht, ECLI:NL:RVS:2019:896, bijlage 2 onder 2.20 en Cramwinckel 2022, par. 4.5.6 ten aanzien van voorlichting.
In de Dakterras-uitspraak is de Afdeling meegegaan met het betoog van A-G Wattel dat ook bij deze stap een verschuiving naar het burgerperspectief nodig is.1 Nadat de Afdeling in 2017 in de Overbetuwse paardenbak al principieel had overwogen dat ook uitlatingen van niet bevoegde overheidsfunctionarissen namens het bevoegde bestuursorgaan aan het bevoegde bestuursorgaan kunnen worden toegerekend als de belanghebbende op goede gronden mocht veronderstellen dat die overheidsfunctionaris de opvatting van dat orgaan vertolkt,2 overweegt de Afdeling in de Dakterras-uitspraak dat zij ook in gevallen waarin de niet bevoegd gedane standpuntbepaling niet namens het bevoegde bestuursorgaan is gedaan, minder dan voorheen de nadruk zal leggen op de wettelijke bevoegdheidsverdeling.3 Het zou voortaan vooral moeten gaan over de vraag of een belanghebbende op ‘goede gronden’ mocht veronderstellen dat degene die de uitlatingen heeft gedaan de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. De Afdeling geeft als voorbeeld een wethouder die op het terrein van zijn portefeuille toezeggingen doet,4 een inspecteur bouw- en woningtoezicht5 en een medewerker van de afdeling vergunningverlening6 of handhaving die een toezegging doet over een onderwerp dat zijn werkgebied betreft. Daarbij benadrukt de Afdeling dat uitlatingen van medewerkers zoals een baliemedewerker die slechts algemene informatie behoren te verstrekken en geen specifieke deskundigheid bezitten, niet aan het bevoegde orgaan kunnen worden toegerekend.7 De bestuursrechter geeft zo – vertrekkend vanuit de schijn van volmachtverlening uit het civiele recht8 –een bestuursrechtelijke invulling aan die ‘schijn’.
Erkenning van een toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (een civielrechtelijke term) bestaat niet pas sinds de Dakterras-uitspraak. Vóór die uitspraak was sprake van wisselende rechtspraak met soms strikt vasthouden aan de wettelijke bevoegdheidsverdeling en soms een soepele benadering van de bestuursrechter.9
Zo zijn in de jaren 80 en begin jaren 90 van de 20e eeuw een aantal uitspraken gewezen waarin de Afdeling rechtspraak uitlatingen van wethouders en de burgemeester en ambtenaren aan het gehele bestuursorgaan (meestal: het college van B&W) toerekende.10 Dit deed zij met verwijzing naar de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid en de redelijkheid.
Zo werd het college van Apeldoorn in een uitspraak van 26 januari 1982 gebonden geacht aan de uitlatingen van een wethouder op een contactavond die bedoeld was ‘om in het openbaar o.m. mededelingen te doen over het beleid’.11 De toerekening van een uitlating van een lid van het college aan het hele college was ook aan de orde in een uitspraak van 27 november 198112 waarin de Afdeling rechtspraak overwoog dat appellant – gelet op de toezegging van de burgemeester – er ‘redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat hem van de zijde van het gemeentebestuur geen beletselen in de weg zouden worden gelegd bij het voorgenomen gebruik van de schuur voor detailhandel’.13
De Sterke merkt op grond van die jurisprudentie op dat bij een ambtenaar met een ondergeschikte positie niet snel een schijn van bevoegdheid zal bestaan. Dit kan anders zijn als de uitlatingen komen van een ambtenaar die ‘ter zake kundig is’ en belast met het soort zaken waarover vragen worden gesteld.14
In een Afdelingsuitspraak uit 201115 acht de Afdeling het aannemelijk dat de – niet schriftelijk vastgelegde – telefonische mededeling van een gemeenteambtenaar dat gebouwd mocht worden ‘namens het college is gedaan’. In een uitspraak van de Afdeling vier jaar later16 kon appellant zich ook met succes beroepen op verklaringen van wethouders, hoewel de toestemming van het college niet in een collegebesluit is vastgelegd.
De Centrale Raad van Beroep heeft eens geoordeeld dat het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst Zuid-Holland – gelet op zijn positie in het provinciebestuur – gebonden was aan de uitlatingen van een gedeputeerde.17 In een zaak uit 201718 overweegt de Afdeling over een brief over standplaatsvergroting met een concrete en ondubbelzinnige toezegging van een marktmeester aan standplaatshouders dat het ging om een toezegging ‘door het algemeen bestuur dan wel aan het algemeen bestuur toe te rekenen’.19 De Afdeling stipt dus de mogelijkheid van toerekenen aan, ook als de uitlating niet expliciet namens het bevoegde bestuursorgaan is gedaan.
Ook vóór de Overbetuwse Paardenbak-uitspraak uit 2017 en de Dakterrasuitspraak uit 2019 was de bestuursrechter kortom onder omstandigheden gemakkelijk in het toerekenen van strikt genomen onbevoegde overheidsuitlatingen aan het bevoegde bestuursorgaan. De gezichtspunten die hij daarvoor eerder toepaste, zoals de positie van de overheidsfunctionaris van wie de uitlating afkomstig is en de inhoud van de uitlating, gebruiken de bestuursrechters nu ook ter invulling van het ‘goede gronden criterium’. Het verschil met de eerdere rechtspraak is erin gelegen dat de bestuursrechter tegenwoordig principieel de mogelijkheid erkent dat op grond van het burgerperspectief een uitlating aan het bevoegde orgaan moet worden toegerekend, ook zonder dat sprake is van directe betrokkenheid van het bevoegde bestuursorgaan.
Deze aanpak sluit aan bij het civiele recht en hetgeen A-G Wattel in zijn conclusie heeft voorgesteld.20 Ook in het civiele recht wordt veel waarde gehecht aan een bepaalde functie die vertrouwen kan wekken.21 Van een dergelijke functionele risicotoerekening maakt de bestuursrechter inmiddels ook gebruik. Dit betekent dat de gevolgen van het handelen van een ambtenaar of andere overheidsfunctionaris met een bepaalde vertrouwenwekkende functie of taak die ten onrechte en niet op voor een betrokkene kenbaar onjuiste wijze gerechtvaardigd vertrouwen wekt, eerder voor risico van het bestuursorgaan moeten komen.22
Een voorbeeld waarin de bestuursrechter nadrukkelijk een situatie beoordeelt vanuit het perspectief van de burger en bovendien wordt afgeweken van het hierboven genoemde uitgangspunt dat op uitlatingen van verstrekkers van algemene informatie niet gerechtvaardigd mag worden vertrouwd, vormt een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2019.23 De zaak ging over toezeggingen van een medewerker van het klantcontactcentrum van de gemeente Rotterdam. Hoewel dergelijke medewerkers in principe slechts algemene voorlichting geven en hun uitlatingen daarom niet aan het bevoegde bestuursorgaan kunnen worden toegerekend, heeft de medewerker appellante niet doorverbonden met een wel bevoegde medewerker, maar medegedeeld dat zij ‘in het systeem’ zag dat appellante gedurende een aantal maanden in het buitenland mag verblijven en dat zij daarover nog bericht zou krijgen. Appellante kan daarmee – bezien vanuit haar perspectief, hoewel zij formeel ‘slechts’ sprak met een medewerker van het klantencentrum – volgens de bestuursrechter menen dat het bevoegde orgaan alsnog had ingestemd met het door haar gevraagde langere verblijf in het buitenland en dat de klantcontactcentrum-medewerker aldus de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.24
In een zaak waarin een medewerker van de bevoegde instantie zelf contact opnam met betrokkene over de toepasselijkheid van een regeling op haar geval, mocht betrokkene er eveneens van uitgaan dat de opvatting van het bevoegde orgaan door de betreffende medewerker werd vertolkt. Het argument van de minister dat het ging om een medewerker die slechts algemene informatie behoort te verstrekken, honoreert het College van Beroep voor het bedrijfsleven niet.25 In die uitspraak lijkt beslissend te zijn dat contact is opgenomen met belanghebbende en dat belanghebbende ervan uit mocht gaan dat de medewerker op de hoogte was van haar bedrijfsvoering. Daarom mag zij volgens het College van Beroep gerechtvaardigd vertrouwen op de juistheid van de aan haar gedane toezegging. Ook hier is de bestuursrechter bereid aan de hand van de concrete omstandigheden een burgervriendelijke invulling te geven aan het door de Afdeling uiteengezette stappenplan en rechtsbescherming te bieden.
De Afdeling oordeelt26 in een andere zaak dat uitlatingen inzake op te voeren subsidiabele sloopkosten konden worden toegerekend aan Gedeputeerde Staten omdat de betreffende overheidsfunctionaris had medegedeeld navraag te hebben gedaan en de vaste contactpersoon was van appellant. Appellant mocht er daarom op vertrouwen dat de opvatting van het bevoegde orgaan werd vertolkt.
Soms neemt een (eerstelijns) bestuursrechter expliciet afstand van het uitgangspunt dat uitlatingen van een ‘baliemedewerker’ niet kunnen worden toegerekend aan het bevoegde bestuursorgaan. In een zaak over de eigen bijdrage voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg was betrokkene op basis van telefoongesprekken met het klantcontactcentrum (KCC) ervan uitgegaan dat de door haar te betalen eigen bijdrage lager zou zijn dan dat is opgelegd. De rechtbank overweegt ‘dat in dit geval een uitzondering moet worden gemaakt op het algemene uitgangspunt dat uitlatingen van een medewerker van een KCC niet aan het bestuursorgaan kunnen worden toegerekend’.27 Een dergelijke gemotiveerde invulling van de stappen van het vertrouwensbeginsel – waarbij effectieve rechtsbescherming wordt geboden – verdient mijns inziens navolging.
Schuurmans heeft opgemerkt dat de eerstelijnsrechter niet de rechtseenheid heeft te bewaken, maar met aandacht ‘voor de feiten en belangen in het individuele geval de rechtspraaklijn zo goed mogelijk op dat individuele geval moet toepassen’.28 Dat is in haar woorden geen afwijken van de lijn maar de lijn naar doel en strekking contextafhankelijk uitleggen. Die opmerkingen zijn mijns inziens voor de toepassing van het vertrouwensbeginsel ook zeer relevant. Die stappen laten ruimte voor invulling aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Die ruimte moet de bestuursrechter dan ook nemen. Zoals de voorbeelden hierboven illustreren, is de bestuursrechter ook in staat dat te doen. In het bijzonder denk ik aan de mogelijkheid gerechtvaardigd vertrouwen te kunnen ontlenen aan inlichtingen en de invulling van het goede gronden criterium van stap 2. Die concrete invulling kan vervolgens zowel bij de eerstelijnsrechter als de hogerberoepsrechter plaatsvinden.
In het algemeen kan worden geconstateerd dat ook bij deze stap van toerekening de beoogde versoepeling niet heeft geleid tot het structureel vaker ‘nemen’ van deze horde.29
Ten aanzien van de toerekening van de uitlatingen van overheidsfunctionarissen geldt dat het criterium van ‘goede gronden’ qua strengheid soepeler lijkt dan de schijn van volmachtverlening in geval van civiele rechtshandelingen. Nu dit criterium van ‘goede gronden’ specifiek is ontwikkeld voor de relatie overheid-burger meen ik dat ook de civiele rechter uit dit criterium inspiratie kan putten voor de invulling van de schijn van volmachtverlening.30 Hij doet dat nu ook al regelmatig.31
Evenmin is in de rechtspraak een duidelijk toetsingskader te ontwaren om vast te stellen wanneer een niet van het bevoegde bestuursorgaan afkomstige overheidsuitlating aan het bevoegde orgaan kan worden toegerekend. In de sinds de Dakterras-uitspraak gewezen rechtspraak wordt het criterium van ‘op goede gronden veronderstellen’ weliswaar geregeld genoemd, maar zijn tot nu toe geen principiële overwegingen gegeven over wanneer die veronderstelling gerechtvaardigd is.32
In algemene zin meen ik dat indien vanuit de overheid contact wordt opgenomen met een burger of indien voor bepaalde zaken bijvoorbeeld een helpdesk wordt ingericht, een burger in beginsel zou moeten kunnen vertrouwen op de door hem verkregen inlichtingen. In de concrete omstandigheden van het geval moet ook ruimte zijn voor toerekening van uitlatingen aan het bevoegde orgaan van iemand die niet specifiek deskundig is. Hoewel het fiscale recht een dusdanige andere bevoegdheidsverdeling heeft, dat die niet goed vergelijkbaar is met het bestuursrecht van dit hoofdstuk, merk ik wel op dat daar in de rechtspraak het argument van de overheid op de onbevoegdheid van een uitlating vrijwel geen rol speelt.33