De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.4.3.1:5.4.3.1 Algemeen
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.4.3.1
5.4.3.1 Algemeen
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS398399:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamer-stukken II, 1960/61, 6 342, nr. 3, p. 9.
Het Bureau heeft dit verhaalsrecht op grond van art. 3 lid 3 Wam, nadat het de schade heeft verrekend met zijn buitenlandse zusterorganisatie.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Bureau wordt in art. 1 Wam met een verzekeraar gelijk gesteld. Door de verwijzing in dat artikel naar zowel art. 2, zesde lid, als naar art. 3 lid 3 Wam treedt het Bureau zowel in zijn hoedanigheid van 'regelend' Bureau als in zijn kwaliteit van garanderend Bureau als verzekeraar op.
De door de Nederlandse verzekeringspolis te bieden dekking bepaalt daarom ook de dekking die het Bureau moet verschaffen als zich in Nederland een ongeval voordoet dat door een bezoekend motorrijtuig is veroorzaakt (vooropgesteld dat aansprakelijkheid van het Bureau vaststaat; zie voor de voorwaarden waaronder het Bureau kan worden aangesproken par. 4.5.3 en 4.5.4). De wetgever heeft deze weg gekozen om op eenvoudige wijze te bereiken dat de bepalingen die de positie van de verzekeraar regelen ook op het Bureau van toepassing zijn.1 Van de Wam zoals zij thans luidt zijn op het Bureau van toepassing de art. 3a (dekking wegens gevaarlijke stoffen), 6 (eigen recht), 7 (bevoegde rechter), 8 (mededelingsplichten), 9 (het gezag van gewijsde van rechterlijke uitspraken), 10 (verjaring en verval), 11 (nietigheden, verweren en verval), 12 lid 2 (overgang verzekeringsplicht niet kentekenplichtig voertuig) en 15 (verhaalsrecht in geval van ontbreken van dekking).
Sommige van deze artikelen kunnen alleen naar analogie worden toegepast. Zo art. 8, dat de mededelingsplicht van de verzekeringnemer en de verzekerden jegens de verzekeraar regelt. Als de aansprakelijke verzekerd is, lijkt mededeling aan de verzekeraar voldoende. Is de aansprakelijke onverzekerd, dan is kennisgeving van het ongeval aan het Bureau wel zinvol (al zal de aansprakelijke daar in de praktijk niet toe overgaan). Pleitbaar is echter dat de Nederlandse onverzekerde aansprakelijke die het Nederlands Bureau (als 'verzekeraar') desverzocht niet op de hoogte brengt van zijn visie op het ongeval (en daarmee het Bureau niet in staat stelt zijn zusterorganisatie in het land van het ongeval van de lezing van de aansprakelijke op de hoogte te brengen), deze omstandigheid krijgt tegengeworpen als het Nederlands Bureau op hem - de aansprakelijke - verhaal zoekt.2
In de navolgende deelparagrafen wordt een aantal bijzondere aspecten in verband met de positie van het Bureau nader belicht.