Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/5.7.1
5.7.1 Het bestuursverbod in Nederland
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631780:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van Nuland (2021), nr. 4.2.1.5 en Kreileman en Bulten (2016). Carrière-Verlinden & Baas (2021) bespreken de jurisprudentie wat betreft de periode 2016 tot en met 2020. Voor zover zij konden nagaan werd negen keer over een civielrechtelijk bestuursverbod geoordeeld.
Bestuursverboden worden door de Kamer van Koophandel gepubliceerd: https://www.kvk.nl/over-kvk/overzicht-civielrechtelijk-bestuursverbod/.
Tenzij in de uitspraak anders is bepaald, vormt het bestuursverbod tevens een beletsel voor de uitoefening van de functie van bestuurder of commissaris bij alle in de procedure betrokken rechtspersonen (art. 106b lid 2 Fw). Op grond van art. 106c Fw dienen deze andere rechtspersonen in de gelegenheid te worden gesteld om hun zienswijze over het gevraagde bestuursverbod en de mogelijke gevolgen daarvan naar voren te brengen. Zie Rb Rotterdam 21 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:7898 (HV Bouw).
Zie Frielink, Van Eersel en Van der Wulp (2020), nr. 3.3.3.2.
Zie over het strafrechtelijk bestuursverbod Doorenbos (2008). Zie ook HR 8 september 2020, JOR 2021/54 m.nt. Hornman (Frauderende incasso-ondernemer). De Hoge Raad overwoog (r.o. 2.4) dat op grond van art. 28 lid 1 Sr een verdachte kan worden ontzet uit onder meer het recht bepaalde beroepen uit te oefenen en dat die mogelijkheid bestaat in de bij de wet bepaalde gevallen en indien het strafbare feit is begaan in de uitoefening van dat beroep. Deze ontzetting dient, aldus de Hoge Raad, betrekking te hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbaar feit is begaan. Op grond van de parlementaire geschiedenis kan de ontzetting van het recht bepaalde beroepen uit te oefenen zich ook uitstrekken tot de beroepsuitoefening als het gaat om een persoon die op grond van het rechtspersonenrecht is benoemd als bestuurder van een rechtspersoon. Het zijn van bestuurder van een rechtspersoon wordt als een beroep aangemerkt. De Hoge Raad overweegt verder (r.o. 2.5.2) dat feitelijk leidinggeven als zodanig niet kan worden aangemerkt als de uitoefening van een voldoende bepaald beroep als bedoeld in art. 28 lid 1, aanhef en onder 5°, Sr.
Op grond van art. 2:298 lid 3 BW, zoals dat met ingang van 1 juli 2021 luidt, kan een door de rechter ontslagen bestuurder van een stichting, gedurende vijf jaar na het ontslag geen bestuurder of commissaris van een stichting worden, tenzij de bestuurder mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.1
Op grond van de artikelen 106a e.v. Faillissementswet is het mogelijk dat een bestuursverbod wordt opgelegd aan een bestuurder of gewezen bestuurder van een failliet verklaarde rechtspersoon.2 Het verbod kan worden verzocht door de curator en het openbaar ministerie. Vereist is, voor zover hier relevant, dat tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement van die rechtspersoon door de rechter bij onherroepelijk geworden uitspraak is geoordeeld dat de (gewezen) bestuurder voor zijn handelen of nalaten bij die rechtspersoon aansprakelijk is als bedoeld in de art. 2:138/2:248 BW.3 Een bestuursverbod kan mede worden uitgesproken jegens de bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder. Is aan een bestuurder een bestuursverbod opgelegd, dan kan hij gedurende vijf jaar nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, of zoveel korter als in de uitspraak is bepaald, niet tot bestuurder of commissaris van een in art. 2:3 BW genoemde rechtspersoon worden benoemd.4 Een benoeming tot bestuurder of commissaris in strijd met een onherroepelijk opgelegd bestuursverbod is nietig. Voor de toepassing van deze regeling wordt als bestuurder tevens aangemerkt degene die het beleid van de rechtspersoon heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder (art. 106d lid 1 Fw). Voor de toepassing van deze regeling wordt met een bestuurder gelijkgesteld de uitvoerende bestuurder en met een commissaris de niet-uitvoerende bestuurder, indien de bestuurstaken zijn verdeeld over uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders (art. 106d lid 2 Fw).
Voor de volledigheid wordt er op gewezen dat andere wettelijke regelingen ook de mogelijkheid van een bestuursverbod bevatten. Verwezen wordt naar onder meer art. 1:87 Wft, art. 53 Wet toezicht trustkantoren 20185 en art. 28 lid 1 onder 5° Wetboek van Strafrecht.6 Aan deze regelingen wordt hier verder geen aandacht besteed.