Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.3.0
4.3.3.0 Inleiding
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496537:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Deze herzieningsverplichting ziet naar mijn mening enkel op de categorie van ‘niet-betaling’. De ‘ongedaanmaking van de handeling’ en de ‘prijsvermindering nadat de handeling is verricht’ veronderstellen immers een bepaalde mate van onvoorwaardelijkheid en zijn min of meer definitief. Als de prestatie bijvoorbeeld na een ongedaanmaking alsnog wordt verleend, dan dient deze handeling naar mijn mening te worden opgevat als een nieuw belastbaar feit.
Het gaat hierbij in wezen om een herziening (lid 5) van de herziening (lid 1 en 2) of om een correctie (lid 5) van de correctie (lid 1 en 2) van de btw bij oninbare vorderingen. Daar waar ik in deze paragraaf spreek over ‘herziening’ of ‘correctie’ doel ik op de herziening c.q. correctie van art. 29 lid 5 Wet OB 1968.
Al werden in de praktijk tussen belastingplichtige en Belastingdienst nog weleens andersluidende afspraken gemaakt. Een voldoening bij een ‘betaling alsnog’ werd dan door de Belastingdienst als voorwaarde gesteld voor het verlenen van teruggaaf van btw, met name in het geval er twijfel bestond over de mate van oninbaarheid van de vordering of in het kader van horizontaal toezicht.
Zie in dat licht onder meer de reeds in paragraaf 4.2.4 aangehaalde notitie van de staatssecretaris van Financiën, gepresenteerd bij brief van 17 april 2002 (opgenomen in Kamerstukken II 2001/02, 28 346, nr. 1, p. 34). In dezelfde zin: Van der Meer/Wessels & Vermeulen 2006, p. 55 en Tekstra 1999, p. 259. Vgl. paragraaf 6.3.3.2 over toepassing van art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) bij faillissement.
Zie bijvoorbeeld Finkensieper 1983, paragraaf 2, Van Vliet 1983, paragraaf 2, Van Zadelhoff in zijn noot bij HR 11 juli 2008, BNB 2008/283 en Heijnen 2010, p. 16 en 74.
R.o. 5.1.
Hof Den Haag 13 april 2012, V-N 2012/45.21.14.
Vgl. Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 4, p. 4 (advies en nader rapport) en Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 10 (MvT).
In deze paragraaf ga ik in op waarschijnlijk de meest in het oog springende wijziging van art. 29 Wet OB 1968 per 1 januari 2017. Lid 5 schrijft voor dat, voor zover de vergoeding alsnog geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen (dat wil zeggen: nadat het recht op teruggaaf op grond van art. 29 lid 1 en 2 Wet OB 1968 is ontstaan),1 de ondernemer de btw ter zake van de alsnog ontvangen vergoeding verschuldigd wordt op het tijdstip waarop die vergoeding wordt ontvangen.
Deze in de wet verankerde herzienings- c.q. correctiemogelijkheid2 van het recht op teruggaaf bestond onder art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) niet.3 Hieraan werd – ook door de staatssecretaris van Financiën – de conclusie verbonden dat bij een betaling alsnog de verplichting tot voldoening van de btw niet herleefde, wanneer het recht op teruggaaf eenmaal op grond van art. 29 lid 1 Wet OB 1968 was ontstaan.4 Van een enkele auteur kwam tegengeluid. Finkensieper stelde zich in zijn annotatie bij HR 29 maart 1995, BNB 1996/244 bijvoorbeeld op het standpunt dat de Belastingdienst een naheffingsrecht toekomt, wanneer een vordering op een later moment alsnog wordt voldaan en de leverancier daarmee de vergoeding ontvangt. Ook in het kader van art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) (ik kom daar in paragraaf 6.3.4 nog over te spreken) is de vraag of herziening (van de aftrek) aan de orde kan zijn bij een betaling alsnog met enige regelmaat in de literatuur behandeld.5 Ook enkele (feiten)rechters hebben zich al over deze vragen gebogen. De uitkomsten zijn echter verdeeld. Hof Amsterdam (2 september 1992, V-N 1993/1913, 21) stelde zich eerder op het standpunt dat van een ‘herleefd’ recht op aftrek geen sprake kan zijn, nu de wet niet voorziet ‘in de mogelijkheid aftrekbare belasting opnieuw in aftrek te brengen voor zover de vergoeding [na het verstrijken van de tweejaarstermijn] alsnog wordt betaald.’6 Hof Den Haag maakte in 2012 met een obiter dictum echter duidelijk:7
“6.3. (...) Wellicht ten overvloede merkt het Hof op dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat eventuele betalingen nadien door belanghebbende, leiden tot een recht op teruggaaf.”
Gelet op de destijds heersende opvatting dat voor een herziening bij een betaling achteraf juist geen plaats zou zijn, was deze uitspraak nogal tegendraads en mijns inziens, gelet op het ontbreken van een expliciete wettelijke basis, ook apert onjuist. Daar komt bij dat bij de invoering van art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017) de wetgever lijkt de onderschrijven dat onder het oude recht niet reeds een grond voor een additionele correctie bestond.8
In de navolgende paragrafen ga ik dieper in op de te plegen correctie bij een betaling alsnog. Ik sta kort stil bij het karakter van de correctieverplichting (paragraaf 4.3.3.1) en ga daarna in op de vraag wanneer de correctie moet worden gemaakt (paragraaf 4.3.3.2). De verhouding tot het Unierecht en het rechtskarakter staat centraal in paragraaf 4.3.3.3 respectievelijk paragraaf 4.3.3.4. Ik kom tot een slotsom in paragraaf 4.3.3.5.