Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.5.2:4.3.4.5.2 Overdraagbaarheid
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.5.2
4.3.4.5.2 Overdraagbaarheid
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496532:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De overdraagbaarheid kan ook door de schuldeiser en de schuldenaar worden uitgesloten (art. 3:83 lid 2 BW).
Dat Hof Amsterdam (11 april 1989, V-N 1990/1789, 1.4.) heeft geoordeeld dat bij overdracht van het onderliggende vorderingsrecht het recht op teruggaaf achterblijft bij de oorspronkelijke crediteur doet daaraan niet af. Het ging in dat arrest namelijk niet om de overdracht van het recht op teruggaaf maar om de overdracht van het onderliggende vorderingsrecht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 3:83 lid 1 BW bepaalt dat vorderingsrechten alleen overdraagbaar zijn als de wet of de aard van het recht zich niet tegen de overdracht verzet.1 Omdat de Wet OB 1968 noch een andere (belasting)wet een bepaling kent op grond waarvan omzetbelastingvorderingen2 op de Belastingdienst worden uitgesloten van overdracht, resteert de vraag of de aard van het recht op teruggaaf zich tegen een overdracht ervan verzet. De aard verzet zich bijvoorbeeld tegen een overdracht als de vordering een afhankelijk recht is: zij volgen immers als hoofdregel het hoofdrecht waaraan zij verbonden zijn. Daarnaast kan ook het persoonlijk karakter c.q. de constatering dat een vordering zozeer aan een schuldeiser is verbonden ertoe leiden dat overdraagbaarheid van het vorderingsrecht vanwege zijn aard is uitgesloten. Naar mijn mening is het recht op teruggaaf niet dermate verknocht aan het onderliggende vorderingsrecht en/of de leverancier dat het zich tegen de overdraagbaarheid ervan verzet. Jurisprudentie wijst ook niet in een andere richting.3 Ook de wetgever gaat ervan uit dat omzetbelastingvorderingen ‘gewoon’ voor cessie in aanmerking komen. Bij de totstandkoming van art. 7b Iw 1990 (het cessie- en verpandingsverbod voor inkomstenbelastingvordering) werd immers overwogen:4
“Op grond van het Burgerlijk Wetboek is het mogelijk een vordering over te dragen aan een ander (cessie) of op een vordering een zakelijk zekerheidsrecht te vestigen in de vorm van een pandrecht. Ook belastingteruggaven kunnen gecedeerd of verpand worden. Op grond van artikel 7a van de IW 1990 (...) betaalt de ontvanger een teruggaaf (...) omzetbelasting nog slechts uit op een bankrekening die op naam staat van de belastingschuldige zelf. Cessie of verpanding van een vordering op grond van een teruggaafbeschikking zou er echter toe (kunnen) leiden dat de ontvanger de teruggaaf op de bankrekening van de cessionaris of pandhouder moet betalen. (...) Aangezien het cederen en verpanden van vorderingen op de Belastingdienst in de zakelijke sfeer deel kan uitmaken van financieringsarrangementen wordt het cessie- en verpandingsverbod beperkt tot teruggaven inkomstenbelasting en vallen andere belastingen, zoals de omzetbelasting, niet onder het cessie- en verpandingsverbod.”
Omdat de wetgever de overdraagbaarheid van omzetbelastingschulden niet heeft willen beperken, mag er mijns inziens van worden uitgegaan dat de vordering ex art. 29 lid 1 Wet OB 1968 voor overdracht vatbaar is.