Wijziging van beperkte rechten
Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/2.2.1:2.2.1 Inleiding
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/2.2.1
2.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254029:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
30. Art. 5:78 aanhef en sub a BW met betrekking tot een recht van erfdienstbaarheid, art. 5:97 lid 1 BW met betrekking tot een erfpachtrecht en art. 5:104 lid 2 jo. art. 5:97 lid 1 BW met betrekking tot een zelfstandig recht van opstal geven de rechter de bevoegdheid tot wijziging (of opheffing) van het beperkte recht indien wegens onvoorziene omstandigheden ongewijzigde instandhouding van het beperkte recht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd van de eigenaar of beperkt gerechtigde. Art. 5:80 BW geeft de rechter de bevoegdheid tot wijziging van een erfdienstbaarheid indien wegens onvoorziene omstandigheden de uitoefening blijvend of tijdelijk onmogelijk is geworden of het belang van de eigenaar van het heersende erf aanzienlijk is verminderd, mits de wijziging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd. Deze wettelijke bepalingen worden ook wel aangeduid als goederenrechtelijke imprévision-regelingen.
31. Invoering van de wetsbepalingen hangt samen met de invoering van een imprévision-regeling voor overeenkomsten. Art. 6:258 lid 1 BW maakt een rechterlijke wijziging (of ontbinding) van overeenkomsten mogelijk op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag worden verwacht van de wederpartij. In het Duitse recht bestaat geen specifieke goederenrechtelijke wetsbepaling op grond waarvan een beperkt recht gewijzigd kan worden wegens onvoorziene omstandigheden. In het Duitse recht is (inmiddels) wel een met art. 6:258 lid 1 BW vergelijkbare regeling in de wet opgenomen voor overeenkomsten. §313 BGB geeft regels voor de wijziging van een overeenkomst als gevolg van veranderde omstandigheden.
32. De wijzigingsmogelijkheden vanwege onvoorziene omstandigheden in Boek 5 (en Boek 6) BW lijken een nuttig instrument te bieden voor de rechter om in te grijpen in concrete situaties, maar roepen nog wel vragen op. Sluit de mogelijkheid van een beroep op een goederenrechtelijke imprévision-bepaling een beroep op de verbintenisrechtelijke imprévision-bepaling uit?1 Wat is de verhouding tot de (algemene) redelijkheid en billijkheid en het leerstuk van misbruik van bevoegdheid?2 Kan in het kader van een recht van vruchtgebruik, een pandrecht, een hypotheekrecht of een afhankelijk recht van opstal een beroep worden gedaan op analogische toepassing van een goederenrechtelijke imprévision-bepaling? Of is de verbintenisrechtelijke imprévision-bepaling van toepassing op die rechten?3 Een recht van erfdienstbaarheid kan – als aan de voorwaarden is voldaan – vrij snel na de vestiging worden gewijzigd, terwijl een erfpachtrecht of een zelfstandig recht van opstal pas vijfentwintig jaar na de vestiging kan worden gewijzigd. Is die wachttermijn (nog) gerechtvaardigd?4 Deze en andere vragen bespreek ik in deze paragraaf.
33. De opzet van deze paragraaf is als volgt. In paragraaf 2.2.2 bespreek ik de achtergrond van de goederenrechtelijke imprévision-bepalingen. In paragraaf 2.2.3 behandel ik de samenloop van de goederenrechtelijke imprévision-regelingen met andere regelingen. In paragraaf 2.2.4 komt het toepassingsbereik van de goederenrechtelijke bepalingen aan bod. In paragraaf 2.2.5 bespreek ik het overgangsrecht. In paragraaf 2.2.6 komt de eis van onvoorziene omstandigheden aan bod. In paragraaf 2.2.7 bespreek ik de maatstaf van de redelijkheid en billijkheid. In paragraaf 2.2.8 wordt besproken hoe de imprévision-regelingen rekening houden met de belangen van derden. In paragraaf 2.2.9 bespreek ik de wachttermijn met betrekking tot de rechten van erfpacht en opstal. In paragraaf 2.2.10 komen de rechtsgevolgen van een geslaagd beroep op de wetsartikelen aan bod. Ik sluit af met een conclusie in paragraaf 2.2.11.