Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/2.2.4
2.2.4 Toepassingsbereik
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254110:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Struycken 2007, p. 733. In de praktijk worden echter vaak bankzekerheden gevestigd, waarbij het zekerheidsrecht wordt gevestigd voor alle bestaande en toekomstige vorderingen uit welke rechtsverhouding dan ook. Betaling van alle gesecureerde vorderingen is dan in feite onmogelijk, omdat er altijd toekomstige vorderingen kunnen ontstaan die ook zijn gesecureerd door het zekerheidsrecht.
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 325 (VC II).
Struycken 2007, p. 723-733.
Struycken 2007, p. 732.
Zie Parl. Gesch. BW Algemeen Deel 1962, p. 133. Zie bijv. ook Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht 2017/467.
Aldus ook Gerver 1994, p. 8 in het kader van de rechten van pand en hypotheek.
Struycken 2007, p. 732-733.
Zie ook Vonck, in: Naar een verbeterde vastgoedketen 2015, p. 67. Gelet op par. 3.2.3.5 zou hierop een uitzondering bestaan als de derde door de wijziging niet wordt benadeeld.
Aldus ook Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/237.
69. Niet voor elk beperkt recht is een goederenrechtelijke imprévision-bepaling in het leven geroepen. Alleen voor de rechten van erfdienstbaarheid, erfpacht en het zelfstandige opstalrecht bestaat een rechterlijke bevoegdheid tot wijziging (of opheffing) wegens onvoorziene omstandigheden. Voor een afhankelijk opstalrecht en voor de rechten van pand, hypotheek en vruchtgebruik bestaat dus geen goederenrechtelijke imprévision-bepaling. Een verklaring kan zijn dat voor de zekerheidsrechten minder vanzelfsprekend is dat de rechten een langdurige belasting van de eigendom zullen vormen. De zekerheidsrechten kenmerken zich door afhankelijkheid. Zij gaan dus in beginsel van rechtswege teniet indien de gesecureerde vorderingen worden voldaan.1 Ook het afhankelijke opstalrecht kenmerkt zich door afhankelijkheid (art. 5:101 lid 2 BW). Met betrekking tot het recht van vruchtgebruik kan het ontbreken van een imprévision-bepaling als volgt worden verklaard. De gedachte achter de imprévision-bepalingen is het tegengaan van een langdurige verstarring van de gebruiksmogelijkheden van het eigendomsrecht. Om de bezwaren die kleven aan een langdurige belasting van de eigendom tegen gaan, zijn verschillende oplossingen denkbaar: men kan een beperkt recht aan een bepaalde termijn verbinden om te voorkomen dat een langdurige verstarring van het eigendomsrecht optreedt of men kan een wijzigings- of opheffingsmogelijkheid door de rechter opnemen.2 Met betrekking tot het recht van vruchtgebruik is gekozen voor de eerste mogelijkheid. Art. 3:203 BW bepaalt immers dat het recht van vruchtgebruik is gebonden aan het leven van de vruchtgebruiker of aan een termijn van dertig jaar indien de vruchtgebruiker een rechtspersoon is. Een duurbeperking neemt echter niet weg dat zich omstandigheden kunnen voordoen die een wijziging van het recht rechtvaardigen. Zoals Struycken opmerkt, zijn de instrumenten niet gelijk.3 Een duurbeperking leidt tot het einde van het beperkte recht, terwijl van wijziging (of opheffing) op grond van een imprévision-bepaling alleen sprake kan zijn in geval van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding niet van de moedergerechtigde of beperkt gerechtigde kan worden gevergd. Volgens Struycken kan ook bij het recht van vruchtgebruik behoefte bestaan aan een wijzigingsmogelijkheid voor het einde van de termijn.4
70. Een beroep op art. 6:258 lid 1 BW is in het kader van een afhankelijk opstalrecht en recht van pand, hypotheek of vruchtgebruik mogelijk voor een wijziging met verbintenisrechtelijke werking. Art. 6:258 BW is rechtstreeks van toepassing, vanwege de aan het beperkte recht ten grondslag liggende overeenkomst of art. 6:258 BW is van toepassing via analogische toepassing van art. 6:216 BW, als men aanneemt dat de aan het beperkte recht ten grondslag liggende overeenkomst is uitgewerkt door de totstandkoming van het beperkte recht.5 Als de partijen bij het beperkte recht niet (meer) de oorspronkelijke contractspartijen zijn, neemt dat mijns inziens niet weg dat (ook) een verhouding tussen partijen bestaat waarop de bepalingen van Boek 6 BW van toepassing zijn. Art. 6:258 BW is via analogische toepassing van art. 6:216 BW toepasbaar.
71. Art. 6:258 lid 1 BW is via (analogische toepassing van) art. 6:216 BW echter ook van toepassing op de goederenrechtelijke rechtsverhouding in het kader van een afhankelijk opstalrecht en recht van pand, hypotheek of vruchtgebruik.6 Struycken acht een analogische toepassing van art. 5:78 tot en met art. 5:80 BW gerechtvaardigd bij het recht van vruchtgebruik.7 Voor een analogische toepassing van een goederenrechtelijke bepaling pleit dat de rechten van vruchtgebruik, pand en hypotheek en het afhankelijke opstalrecht ook beperkte rechten zijn. Daarnaast houden de goederenrechtelijke bepalingen expliciet rekening met de belangen van derden. Op een recht van vruchtgebruik kan een ander beperkt recht rusten dat mogelijk (negatief) wordt beïnvloed door een wijziging van het vruchtgebruik. Op een goed kunnen ook twee (of meer) rechten van vruchtgebruik, pand of hypotheek rusten. Het tweede beperkte recht kan (negatief) worden beïnvloed door een wijziging (door de rechter) van het eerste beperkte recht. Een analogische toepassing van een goederenrechtelijke bepaling roept echter ook de vraag op welke goederenrechtelijke bepaling naar analogie moet worden toegepast. De goederenrechtelijke bepalingen met betrekking tot erfdienstbaarheden enerzijds en de rechten van erfpacht en opstal anderzijds verschillen van elkaar. Zo kent de regeling met betrekking tot erfdienstbaarheden geen wachttermijn, terwijl de regeling met betrekking tot de rechten van erfpacht en opstal een wachttermijn van vijfentwintig jaar kent. De regeling met betrekking tot erfdienstbaarheden bepaalt dat bij het beoordelen van de redelijkheid en billijkheid met de belangen van derden rekening moet worden gehouden, terwijl de regeling met betrekking tot de rechten van erfpacht en opstal bepaalt dat ook ten aanzien van de derde aan de maatstaf van de redelijkheid en billijkheid moet worden voldaan.
72. Aan de voordelen van een analogische toepassing van een goederenrechtelijke imprévision-bepaling kan mijns inziens ook recht worden gedaan via (analogische toepassing van) art. 6:216 jo. art. 6:258 lid 1 BW. De rechter dient de verschillende goederenrechtelijke imprévision-bepalingen te gebruiken als referentie bij het beoordelen van een vordering tot wijziging (of opheffing) van een beperkt recht via art. 6:216 jo. art. 6:258 lid 1 BW. Een vordering tot wijziging van een recht van vruchtgebruik dat drie jaar geleden is gevestigd, is via die route niet onmogelijk, maar bij de maatstaf van de redelijkheid en billijkheid zal de rechter (mits sprake is van onvoorziene omstandigheden) het belang van stabiliteit van goederenrechtelijke rechtsverhoudingen moeten meenemen. Met de belangen van derden wordt via (analogische toepassing van) art. 6:216 jo. art. 6:258 lid 1 BW in zoverre ook rekening gehouden, omdat de wijziging niet jegens de derde kan worden ingeroepen als de derde niet in het geding is geroepen.8 Het sluit bij toepassing van art. 6:216 jo. art. 6:258 lid 1 BW aan als een derde niet per se in het geding hoeft te worden geroepen, omdat art. 6:258 lid 1 BW die eis niet kent en er geen specifieke goederenrechtelijke bepaling bestaat die die eis wel voorschrijft.
73. De imprévision-bepalingen zijn overigens ook van toepassing als een beperkt recht niet door vestiging, maar door verjaring is ontstaan. Art. 5:97 lid 1 BW bepaalt dat vijfentwintig jaar na de vestiging van de erfpacht moet zijn verlopen, voordat een wijziging (of opheffing) mogelijk is, maar daaruit mag niet worden afgeleid dat geen beroep op de imprévision-bepaling kan worden gedaan als het beperkte recht is ontstaan via verjaring.9 In art. 5:97 lid 1 BW had net zo goed ontstaan kunnen staan, zoals in art. 5:78 aanhef en sub b BW. Tijdens de parlementaire behandeling van art. 5:97 BW is hierover ook niet expliciet gesproken, zodat kan worden aangenomen dat hieraan geen principieel standpunt ten grondslag ligt. Ook als een beperkt recht door verjaring is ontstaan kunnen onvoorziene omstandigheden opkomen die een wijziging (of opheffing) rechtvaardigen.