Wijziging van beperkte rechten
Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/2.2.11:2.2.11 Conclusie
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/2.2.11
2.2.11 Conclusie
Documentgegevens:
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254087:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
105. De (goederenrechtelijke) imprévision-bepalingen bieden een geschikt correctiemechanisme in de situatie dat onverkorte handhaving van een beperkt recht onbillijk is. Voor een wijziging (of opheffing) door de rechter is vereist dat zich onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan die van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van het beperkte recht niet kan worden gevergd van de moedergerechtigde of beperkt gerechtigde. Onvoorziene omstandigheden zijn omstandigheden die partijen niet hebben verdisconteerd. Bij toepassing van de regeling is terughoudendheid gepast, omdat er niet (te) snel vanuit mag worden gegaan dat onverkorte handhaving van een beperkt recht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De regeling kent ook een extra eis in die zin dat wijziging (of opheffing) bij de rechten van erfpacht en opstal pas mogelijk is, indien vijfentwintig jaar na de vestiging zijn verstreken. De regeling met betrekking tot erfdienstbaarheden kent die beperking niet (meer).
106. De goederenrechtelijke imprévision-bepalingen vertoont raakvlakken met art. 6:248 en art. 6:258 lid 1 BW. Op een feitencomplex kan zowel een goederenrechtelijke bepaling als een verbintenisrechtelijke bepaling van toepassing zijn. De goederenrechtelijke imprévision-bepalingen kennen enkele beperkingen ten opzichte van de verbintenisrechtelijke imprévision-regeling. Aan een goederenrechtelijke imprévision-bepaling komt ten opzichte van art. 6:258 lid 1 BW exclusiviteit toe, anders verliezen de beperkingen van de goederenrechtelijke bepaling aan betekenis. Aan een goederenrechtelijke imprévision-bepaling komt ten opzichte van art. 6:248 BW geen exclusiviteit toe, maar in complexe of gecompliceerde gevallen kan een rechter van oordeel zijn dat ten onrechte geen wijziging via een imprévision-regeling is gevorderd. De goederenrechtelijke bepalingen staan niet in de weg aan toepasselijkheid van art. 6:248 en art. 6:258 lid 1 BW met enkel verbintenisrechtelijke werking. Art. 6:248 BW en art. 6:258 lid 1 BW kunnen (ook) worden toegepast in het kader van de rechten van vruchtgebruik, pand, hypotheek en het afhankelijke recht van opstal.
107. Toepassing van de goederenrechtelijke imprévision-bepalingen kan in concrete situaties tot onbillijkheid leiden, met name vanwege de overgangsrechtelijke bepalingen en de wachttermijn in art. 5:97 lid 1 (jo. art. 5:104 lid 2) BW. Het is wenselijk de overgangsrechtelijke bepalingen en de wachttermijn te schrappen. Tot die tijd is het echter mogelijk de strenge eisen te omzeilen. Op grond van art. 75 Ow en art. 6:248 lid 2 BW kan betoogd worden dat toepassing van het overgangsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 2 BW kan eveneens worden betoogd dat toepassing van de wachttermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.