Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.0:2.5.0 Introductie
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.0
2.5.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859068:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 90.
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 90.
Vellinga, WPNR 1983/5648, p. 237.
Vellinga, WPNR 1983/5648, p. 237.
Vellinga, WPNR 1983/5648, p. 237.
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 90.
Zie par. 1.5.
Lindenberg 2007, p. 195 en 105.
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 90. Zie ook art. 4:111 BW.
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 91.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het oude recht kent een soortgelijke onwaardigheidsbepaling als artikel 4:3 lid 1 sub d BW. Volgens het oud BW is onwaardig degene die de overledene door geweld of feitelijkheid1 belet heeft zijn uiterste wil te maken of te herroepen. In het Ontwerp-Meijers is deze onwaardigheidsgrond in een gewijzigde formulering teruggekeerd. De bepaling luidt als volgt:
‘hij die de overledene door een feitelijkheid of door bedreiging met een feitelijkheid heeft gedwongen of belet zijn uiterste wil te maken’2
Zonder nadere toelichting is door geweld beletten door Meijers geschrapt. Daarentegen voegt hij bedreiging met een feitelijkheid toe. Het artikel kent daarmee twee middelen om te dwingen of beletten: een feitelijkheid en bedreiging met een feitelijkheid. In zijn toelichting merkt Meijers op dat de redactie aansluit bij artikel 284 Sr.3 Vellinga vraagt zich af of deze verwijzing juist is. De formulering van deze onwaardigheidsgrond is overgenomen uit de onwaardigheidsbepalingen uit het oud BW waarin de term feitelijkheid al wordt gebezigd voordat deze term in artikel 284 Sr is opgenomen, aldus Vellinga.4 Eerst in 1903 is het begrip feitelijkheid ingevoerd in artikel 284 Sr. Daarvoor kent artikel 284 Sr enkel de dwangmiddelen geweld en bedreiging met geweld.5 Vellinga merkt op dat tegen de verwijzing naar artikel 284 Sr niet veel bezwaar bestaat wanneer onder het begrip feitelijkheid, geweld zou moeten worden verstaan. In dat geval zou de verwijzing aansluiten bij de oorspronkelijke tekst van artikel 284 Sr. Met het middel geweld is het begrip feitelijkheid volgens Vellinga echter niet volledig omschreven.6
Hoewel Meijers in het begin van zijn toelichting opmerkt dat in zijn ontwerpbepaling de regeling van onwaardigheid zowel voor de opvolging bij versterf als krachtens testament is samengetrokken,7 is de formulering van deze onwaardigheidsgrond naar mijn mening niet volledig overgenomen uit het OBW, zoals Vellinga stelt. Naast sporen van het OBW zie ik ook artikel 284 Sr terugkomen in de formulering van deze onwaardigheidsgrond. Artikel 284 Sr kent, in tegenstelling tot het OBW, het door Meijers opgenomen middel bedreiging met een feitelijkheid. Voorts komt in deze strafbepaling het door Meijers toegevoegde begrip dwingen voor, welke term in het OBW ontbreekt. Meijers zijn opmerking dat de redactie van deze bepaling aansluit bij artikel 284 Sr lijkt mij daarom niet onjuist. Daar komt bij dat Meijers zich heeft laten inspireren door het ten tijde van zijn ontwerp (1954) geldende artikel 284 Sr. Dat in de redactie van deze bepaling voor 1903 het begrip feitelijkheid niet voorkomt, is naar mijn mening daarom niet van betekenis.
Ten aanzien van het begrip dwingen springt nog in het oog dat deze term weliswaar niet wordt gebruikt in het OBW, maar wel in codificaties van begin negentiende eeuw.8 Uit Meijers’ toelichting volgt echter niet dat hij deze codificaties voor ogen heeft gehad bij het toevoegen van dit begrip. Het is de formulering van artikel 284 Sr geweest die Meijers ertoe heeft gebracht deze term op te nemen. In deze strafbepaling neemt het bestanddeel dwingen een centrale rol in.
Dat Meijers het middel geweld niet langer heeft opgenomen, lijkt geen koerswijziging in te houden ten opzichte van het OBW. Evenmin divergeert de bepaling op dit punt van artikel 284 Sr. Weliswaar is in artikel 284 Sr geweld afzonderlijk als dwangmiddel opgenomen, maar het vormt geen eigensoortig dwangmiddel. Geweld is in deze bepaling sinds 1903 een species van de genus feitelijkheid.9 Met andere woorden: de door Meijers gehanteerde term feitelijkheid omvat mede geweld.
Het herroepen of veranderen van een uiterste wil is door Meijers niet langer afzonderlijk opgenomen. In het maken van een uiterste wilsbeschikking ligt het herroepen, wijzigen of aanvullen van een uiterste wilsbeschikking besloten.10
Het Ontwerp-Meijers heeft vrijwel ongewijzigd de eindstreep gehaald. Enkel de woorden ‘zijn uiterste wil’ zijn ter verduidelijking vervangen door ‘een uiterste wilsbeschikking’.11 Artikel 4:3 lid 1 sub d BW luidt daarmee als volgt:
‘hij die de overledene door een feitelijkheid of door bedreiging met een feitelijkheid heeft gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken’
Deze onwaardigheidsgrond heeft gedurende de parlementaire behandeling tot weinig vragen en opmerkingen aanleiding gegeven. Dezelfde conclusie kan worden getrokken voor de rechtspraktijk, nu jurisprudentie over deze bepaling vrijwel geheel ontbreekt. Dat neemt niet weg dat deze onwaardigheidsgrond een nadere beschouwing verdient. De verschillende onderdelen van deze bepaling staan centraal in deze paragraaf, te beginnen met de begrippen ‘feitelijkheid’ en ‘bedreiging met een feitelijkheid’ (par. 2.5.1 resp. 2.5.2). Hierna wordt stilgestaan bij misbruik van omstandigheden (par. 2.5.3), de verboden beschikkingen (par. 2.5.4) en de termen ‘dwingen’ en ‘beletten’ (par. 2.5.5 resp. 2.5.6). Vervolgens wordt ingegaan op het feit dat geen rechterlijke uitspraak wordt vereist (par. 2.5.7) en de poging tot, voorbereiding van en deelneming aan een dergelijk feit (par. 2.5.8). Tot slot komt de praktische betekenis van deze bepaling aan de orde (par. 2.5.9).