Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/5.5.4
5.5.4 Stemming akkoord
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS444850:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De artt. 145 en 268 Fw zijn per 15 januari 2005 aangepast (wet van 24 november 2004, Stb. 615). Het akkoord in de schuldsaneringsregeling kent sinds 1 december 1998 de gewone meerderheidsvereisten, zie art. 332 lid 2 sub a Fw. Het oude recht blijft overigens van toepassing op een faillissement (surseance) als het verzoek of de vordering is ingediend of aangebracht voor 15 januari 2005. Zie art. V van de hiervoor genoemde wet.
Zoals eerder opgemerkt, is een herkansing wel mogelijk in de schuldsaneringsregeling en in het voorontwerp Insolventiewet.
Wet van 24 november 2004, Stb. 2004, 615.
De reehter-commissaris kan het niet-aangenomen akkoord alleen vaststellen als ware het aangenomen. Het akkoord kan dus niet meer worden gewijzigd. Zie memorie van toelichting, Kamerstukken II, 27 244, nr. 3, p. 19.
Zie voor jurisprudentie paragraaf 7.3.
De voorwaarden voor aanneming van een akkoord zijn geregeld in art. 145 Fw:1
"Tot het aannemen van het akkoord wordt vereist de toestemming van de gewone meerderheid van de ter vergadering verschenen erkende en voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers, die tezamen ten minste de helft van het bedrag van de door geen voorrang gedekte erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen."
Indien niet wordt voldaan aan de vereisten van art. 145 Fw,2 is een akkoord in beginsel niet aangenomen. Het akkoord wordt dan als verworpen beschouwd en de boedel verkeert vervolgens van rechtswege in staat van insolventie (art. 173 Fw). Op grond van art. 158 Fw kan in hetzelfde faillissement geen tweede ontwerp-akkoord worden aangeboden.3
Sinds de wetswijziging in januari 2005 is art. 146 Fw ingrijpend gewijzigd.4 In tegenstelling tot het oude recht kan niet langer een tweede stemming over een akkoord plaatsvinden. Daarentegen is aan de rechter-commissaris de bevoegdheid toegekend een akkoord onder de door de wet voorgeschreven voorwaarden vast te stellen als ware het aangenomen:
"In afwijking van artikel 145 kan de rechter-commissaris op verzoek van de schuldenaar of de curator bij gemotiveerde beschikking een aangeboden akkoord vaststellen als ware het aangenomen, indien
a. drie vierde van de ter vergadering verschenen erkende en voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers voor het akkoord hebben gestemd; en
b. de verwerping van het akkoord het gevolg is van het tegenstemmen van een of meer schuldeisers die, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder het percentage dat die schuldeisers, zou de boedel worden vereffend, naar verwachting aan betaling op hun vordering zullen ontvangen, in redelijkheid niet tot dit stemgedrag hebben kunnen komen."
Een akkoord dat door de reehter-commissaris ingevolge art. 146 Fw is vastgesteld, heeft de drempel van art. 145 Fw niet weten te bereiken. Er is weliswaar voldaan aan de vereiste meerderheid van schuldeisers, maar deze meerderheid vertegenwoordigt niet ten minste de helft van het bedrag der schuldvorderingen. De vaststellingsbevoegdheid5 van de reehter-commissaris is onderworpen aan twee nadere voorwaarden: drie vierde van de ter vergadering verschenen erkende en voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers moet voor het akkoord hebben gestemd en de tegenstemmende schuldeisers hebben in redelijkheid niet tot dit stemgedrag kunnen komen. De voorwaarde van art. 146 sub b Fw is een codificatie van lagere rechtspraak inzake het dwingen van een weigerachtige schuldeiser tot het verlenen van medewerking aan de totstandkoming van een buitengerechtelijk akkoord.6 Art. 146 Fw is ontleend aan art. 332 lid 4 Fw, dat een dergelijke bevoegdheid voor de reehter-commissaris sinds december 1998 kent. Art. 146 Fw is net als art. 332 lid 4 Fw bedoeld om de totstandkoming van akkoorden te vergemakkelijken en dus te bevorderen. Ook een akkoord dat door de reehter-commissaris ex art. 146 Fw wordt vastgesteld, dient vervolgens door de rechter te worden gehomologeerd.