Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/5.5.5:5.5.5 Toekomstig recht?
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/5.5.5
5.5.5 Toekomstig recht?
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS443634:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Als redenen van voorrang kunnen worden genoemd pand, hypotheek, retentierecht en andere door de wet erkende redenen van voorrang zoals bijvoorbeeld vervat in art. 3:282 BW en art. 3:264 BW.
Vgl. paragraaf 4.7.
Toelichting voorontwerp Insolventiewet, p. 127
Toelichting voorontwerp Insolventiewet bij art. 6.2.10, p. 133.
Toelichting voorontwerp Insolventiewet bij art. 6.2.9, p. 133.
In dat opzicht is dit te vergelijken met een inbreuk op de paritas creditorum. Zie paragraaf 4.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dient het huidige stemsysteem van art. 145 en 146 Fw te worden aangepast met de op stapel staande herziening van de Faillissementswet? In hoofdstuk 2 en hoofdstuk 4 is opgemerkt dat de huidige regeling in ieder geval moet worden aangepast aan het stemsysteem van de akkoordregeling in de schuldsaneringsregeling (art. 332 Fw). Dat zou tot gevolg hebben dat niet alleen concurrente, maar ook preferente schuldeisers aan een akkoord gebonden raken en de laatsten uit dien hoofde ook stemrecht hebben over een akkoord. Daarnaast heb ik in hoofdstuk 2 en 4 de vraag opgeworpen of gelijk het Amerikaanse systeem alle schuldeisers aan een akkoord moeten worden gebonden. Het huidige stemsysteem van het akkoord in de schuldsaneringsregeling zou hiertoe als voorbeeld kunnen dienen en worden uitgebreid met een derde groep schuldeisers, die met een recht van voorrang in de zin van art. 143 lid 1 Fw.1 Het percentage dat hen op grond van een akkoord dient te worden uitgekeerd, zou op het dubbele kunnen worden gesteld van hetgeen de groep preferente schuldeisers ontvangt. Hiermee wordt dan rekening houdend met de omstandigheden uitdrukking gegeven aan hun voorrangsrecht.2
In het voorontwerp Insolventiewet worden in afwijking van de regeling van het akkoord in faillissement en surseance ook schuldeisers met bevoorrechte vorderingen aan een akkoord gebonden en uit dien hoofde hebben voornoemde schuldeisers stemrecht over een akkoord (art. 6.2.9). Het voorontwerp Insolventiewet sluit hiermee aan bij de regeling van art. 332 Fw, met dit verschil dat de stemming door concurrente- en preferente schuldeisers niet zal plaatsvinden in afzonderlijke groepen.3 De commissie ziet geen noodzaak het systeem van art. 332 Fw hierin te moeten overnemen. In het voorontwerp hoeft derhalve slechts in de gehele groep van schuldeisers een meerderheid te worden gevonden, terwijl in het systeem van art. 332 Fw in beide groepen een meerderheid aanwezig dient te zijn. Voor de akkoorden in het systeem van het voorontwerp Insolventiewet zullen de meerderheden derhalve makkelijker worden bereikt. Door de commissie wordt het voorgestelde systeem als volgt gerechtvaardigd:
"Aan het verschil in gewicht dat aan beide soorten vorderingen toekomt, kan recht worden gedaan door de eis te stellen dat de schuldeisers die voor het akkoord stemmen gezamenlijk, in het geval geen akkoord tot stand zou komen, aanspraak zouden hebben op ten minste de helft van hetgeen beschikbaar zou zijn voor uitdelingen aan schuldeisers met insolventievorderingen (zowel preferente als concurrente vorderingen). Daarbij dient uiteraard rekening te worden gehouden met de verhouding van 2:1 waarin preferente schuldeisers en concurrente schuldeisers moeten worden voldaan. Beslissend is dus of de voorstemmers bij afwikkeling zonder akkoord ten minste de helft zouden ontvangen van wat er uitgedeeld zou worden."4
Een novum in het voorontwerp is art. 6.2.9 lid 5, waarin schuldeisers het stemrecht over een akkoord wordt onthouden, indien een akkoord voor hun vorderingen in geen enkel opzicht een beperking inhoudt. Deze schuldeisers worden dan ook niet opgeroepen voor de beraadslaging en beslissing over een akkoord. Uit de toelichting maak ik op dat de commissie hier de kleine particuliere schuldeisers op het oog heeft. In de huidige rechtspraktijk worden bij een akkoord de kleine schuldeisers ook veelal volledig voldaan. Soms ligt hier een sociaal motief aan ten grondslag, vaak is het nodig om hen op die manier te bewegen voor een akkoord te stemmen. Art. 6.2.9 lid 5 voorontwerp Insolventiewet biedt een andere oplossing door deze schuldeisers volledig te voldoen, zodat het gerechtvaardigd is hen het stemrecht te ontnemen:
"Ook is het mogelijk dat de schuldenaar bepaalde schuldeisers volledig wenst te voldoen en daarvoor goede grond bestaat. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als het gaat om een grote groep particuliere klanten van de onderneming van de schuldenaar, waarvan de vorderingen bescheiden van omvang zijn, terwijl een beperking van hun rechten de voortzetting van de onderneming ernstig zou bemoeilijken. Indien het akkoord voor een schuldeiser in het geheel geen beperking van zijn rechten inhoudt, noch in de hoogte van hetgeen hij kan vorderen noch in enig ander opzicht, als het betalingstijdstip, dient die schuldeiser niet mee te kunnen stemmen. Het akkoord kan immers worden opgevat als een bijzondere overeenkomst tussen de schuldenaar en schuldeisers die door het akkoord worden gebonden, d.w.z. in de uitoefening van hun rechten worden beperkt. Bij de homologatie zal de rechtbank kritisch moeten beoordelen of voor het buiten het akkoord houden van een deel van de schuldeisers voldoende gronden bestaan."5
Hiervoor is met betrekking tot een schuldeiser van een achtergestelde vordering aangegeven dat voor het onthouden van het stemrecht steeds een rechtvaardiging nodig is. Eenzelfde benadering zou moeten worden aangehouden voor schuldeisers die volledig worden voldaan. Naar huidig recht is het uitgangspunt dat schuldeisers die op grond van een akkoord volledig worden voldaan, meestemmen over dat akkoord. Zij zijn immers concurrent schuldeiser en uit dien hoofde komt hen in beginsel het stemrecht toe. Indien een akkoord voor een schuldeiser echter geen beperking van zijn rechten inhoudt, zou het onthouden van het stemrecht net zoals bij een schuldeiser met een achtergestelde vordering mogelijk moeten zijn. Voor het onthouden van het stemrecht is een rechtvaardiging nodig die daarin is gelegen dat bij volledige voldoening de betreffende schuldeiser geen belang heeft bij het uitoefenen van het stemrecht.6 Een schuldeiser wiens vordering volledig voldaan wordt en die over een akkoord meestemt, zou in dat geval immers stemmen over andermans recht.