Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/5.5.3
5.5.3 Global Telesystems Europe BV
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS443631:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hier worden slechts de specifieke problemen ten aanzien van het akkoord besproken. Voor een bespreking van de overige insolventierechtelijke kwesties zij onder meer verwezen naar: Harmsen, Van GTS tot Versatel; de surseance van betaling als instrument voor internationale herstructurering, JOR plus, 2003, p. 26 e.v.; Schaink, Surseance als vehikel voor debt-for-equity swaps, Ondernemingsrecht 2003-5, p. 173 e.v.; Van Galen, Kabels en knopen, Ondernemingsrecht 2002-9, p. 247 en 248 en Luttikhuis, Tvl 2002/5, p. 245 e.v.
Naar huidig recht is dit anders, nu het meerderheidsvereiste van art. 268 Fw sinds de wetswijziging in 2005 niet langer is gerelateerd aan het aantal ingediende vorderingen, maar aan de ter vergadering verschenen schuldeisers met erkende en voorwaardelijk erkende vorderingen. Wet van 24 november 2004, Stb. 2004, 615, in werking getreden op 15 januari 2005.#$
r.o. 14 en 15.
In gelijke zin Veder, noot onder Rb. Amsterdam 21 februari 2002, JOR 2002/107 (GTS/ KPNQwest) en Luttikhuis, Tvl 2002/5, p. 245 e.v.
Completel Europe N.V., Versatel Telecom International N.V., Netia Holdings B.V., Song Networks en United Pan-Europe Communications N.V. Alle surseance-aanvragen werden gedaan in 2002.
HR 26 augustus 2003, NJ 2004, 549 en JOR 2003/211, nt. J.J. van Hees (ICH/UPC).
In het akkoord is onder meer bepaald dat de schulden worden omgezet in risicodragend kapitaal (een 'debt-for-equity swap'). Deze schulden bestaan voor het overgrote deel uit een aantal obligatieleningen ten bedrage van (omgerekend) enkele miljarden euro's.#$
r.o. 3.8.3.
Vgl. J.J. van Hees in zijn noot onder het onderhavige arrest, JOR 2003/211 (ICH/UPC).
J.J. van Hees in zijn noot onder HR 26 augustus 2003, JOR 2003/211 (ICH/UPC).
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet 2-IV, p. 207 e.v.
Hiervoor is uiteengezet dat stemgerechtigden over een akkoord in beginsel slechts die schuldeisers zijn die krachtens art. 157 Fw aan een akkoord zijn gebonden. In de rechtspraktijk is de afgelopen jaren een ontwikkeling in gang gezet die het antwoord op de vraag wie stemgerechtigd is over een akkoord, enigszins in twijfel trekt. In een uitspraak in de surseance van Global Telesystems Europe BV (hierna: GTS) is door GTS en haar bewindvoerders een verzoekschrift ingediend tot het vaststellen van een regeling over de wijze waarop vorderingen uit obligatieleningen moeten worden ingediend en de wijze waarop de schuldeisers van de obligatieleningen over het aangeboden akkoord zouden moeten stemmen. Door verzoekers is bepleit om de wijze waarop de stemming over het akkoord in de Verenigde Staten heeft plaatsgevonden, ook in de Nederlandse procedure toe te passen. Op deze wijze zou volgens verzoekers recht worden gedaan aan de beschermingsgedachte van art. 268 Fw. Op de dag dat voorlopige surseance aan GTS is verleend, heeft de United States Bankruptcy Court een Chapter 11-procedure op GTS van toepassing verklaard. In deze Amerikaanse procedure heeft GTS een akkoord aangeboden, waarin onder meer is bepaald dat een omzetting heeft plaatsgevonden van bestaande obligaties GTS in converteerbare obligaties KPNQwest volgens een bepaalde in het akkoord voorgestelde ruilverhouding. Dit akkoord is aangenomen door 99,36% van de schuldeisers, die 98,35% van de schuldvorderingen vertegenwoordigen.
In de Nederlandse procedure heeft GTS eveneens een akkoord aangeboden aan haar schuldeisers. Naar aanleiding daarvan heeft zich een aantal problemen voorgedaan.1 Zo komt naar Nederlands recht het stemrecht over een akkoord slechts toe aan degenen die in juridische zin kunnen worden aangemerkt als schuldeisers van de sursiet. De obligatiehouders zijn op grond van het toepasselijke Amerikaanse recht slechts aan te merken als 'beneficial owners' en derhalve naar Nederlands recht geen schuldeisers van GTS in formele zin. De belangen van de obligatiehouders, de economische gerechtigden, worden naar Amerikaans recht vertegenwoordigd door een 'trustee', de zogenaamde 'legal owner' van de vorderingen. Deze 'trustee' wordt volgens Nederlands recht aangemerkt als schuldeiser van GTS in formele zin en derhalve is hij degene die in beginsel bevoegd is de vorderingen in te dienen in de surseance van GTS en bevoegd over het akkoord te stemmen.
Op grond van de 'Indentures' is de 'trustee' bevoegd de vorderingen in te dienen, maar niet bevoegd over het aangeboden akkoord te stemmen. Volgens de 'Indentures' zijn de 'beneficial owners' bevoegd over het akkoord te stemmen. Het voorgaande betekent dat in beginsel de 'trustee' slechts de vorderingen kan indienen, maar niet over het akkoord kan stemmen. Naar Nederlands recht kunnen de obligatiehouders evenmin over het akkoord stemmen, omdat zij formeel geen schuldeisers zijn van GTS. De consequentie hiervan zou zijn dat de enkele indiening van de vorderingen door de 'trustee', omdat hij niet gerechtigd is te stemmen over het akkoord, in het systeem van de wet moet worden aangemerkt als stemmen tegen het akkoord.2
De rechtbank overweegt hierover in rechtsoverweging 10 als volgt:
"Het zou in strijd zijn met de economische werkelijkheid om de legal owner thans als (enige) schuldeiser aan te merken, in plaats van de werkelijk belanghebbenden, namelijk de beneficial owners bij wie de obligatielening uiteindelijk is geplaatst. Zij zijn immers degenen die het economisch risico lopen en aan wie naar het recht van de staat New York het stemrecht toekomt. Zij moeten dan ook degenen zijn die zich over het akkoord kunnen uitspreken."
De rechtbank vervolgt met:
"Voorts is de vraag aan de orde of de stemmen die zijn uitgebracht in de procedure die in de Verenigde Staten is voorgeschreven voor de stemming over het akkoord volgens de daar geldende Chapter 11-procedure, in de Nederlandse procedure resultaten opleveren die bruikbaar zijn voor de Nederlandse stemming. Naar het oordeel van de rechtbank is de door de Amerikaanse rechter vastgestelde procedure van voldoende waarborgen voorzien om aan te kunnen nemen dat de beneficial owners zich hebben kunnen uitspreken over het al dan niet aanvaarden van het akkoord.
(...)
De in het Affidavit van Diane Rocano, gedateerd 19 februari 2002, neergelegde resultaten - voor zover betrekking hebbend op GTS - zijn daarom geschikt om te gelden als stemmen die ter schuldeisersvergadering door de beneficial owners zijn uitgebracht bij de stemming over het akkoord. Door deze stemmen te doen gelden als ter schuldeisersvergadering uitgebracht, wordt naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden aan de strekking van de Faillissementswet het meest recht gedaan."3
De rechtbank heeft de onderhavige kwestie waarvoor in de Nederlandse Faillissementswet geen voorziening is opgenomen, op praktische wijze opgelost. Voor de toepassing van art. 268 Fw dienen volgens de rechtbank de 'beneficial owners' als schuldeisers van GTS te worden aangemerkt, zodat zij bevoegd zijn over het akkoord te stemmen en hun stemmen derhalve worden meegeteld in het kader van art. 268 Fw. De rechtbank geeft hiermee een genuanceerde benadering ten aanzien van het begrip schuldeiser in de zin van de Faillissementswet. Tegelijkertijd dient te worden bedacht dat door de stemmen in de Amerikaanse procedure over te nemen in de Nederlandse akkoordprocedure, de schuldeisers in feite hun stemrecht over het akkoord is ontnomen.4
Na de GTS-beslissing van de rechtbank Amsterdam heeft een aantal ondernemingen langs dezelfde weg als GTS hun schulden door middel van een surseance-akkoord gesaneerd.5 In een arrest van de Hoge Raad van 26 augustus 2003 worden de rechtsvragen die de rechtbank Amsterdam in de surseance van GTS heeft moeten beantwoorden, aan de Hoge Raad voorgelegd in de surseance van United Pan-Europe Communications N. V. (hierna: UPC).6
UPC heeft tegelijkertijd met haar verzoek tot verlening van voorlopige surseance van betaling een akkoord7 ingediend bij de griffie van de rechtbank Amsterdam. In haar verzoekschrift heeft UPC onder meer aan de rechtbank verzocht te bepalen dat alleen de 'beneficial holders' van de door UPC uitgegeven obligatieleningen op de 'voting record date' zoals die zou worden vastgesteld door de Amerikaanse rechter in de gelijktijdig aangevraagde Chapter 11-procedure, bevoegd zouden zijn hun vorderingen in te dienen bij de bewindvoerder en te stemmen over het akkoord tijdens de schuldeisersvergadering. De rechtbank heeft de verzoeken van UPC toegewezen. ICH heeft tegen de beschikking hoger beroep ingesteld, het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, waarna ICH cassatie heeft ingesteld. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de beslissingen van het hof en de rechtbank als volgt:
"Weliswaar is op de aan UPC verleende surseance van betaling Nederlands recht van toepassing, doch het Nederlands internationaal privaatrecht laat toe dat rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat in deze surseance leningovereenkomsten betrokken zijn die aan de obligatieleningen ten grondslag liggen en die worden beheerst door het recht van de Staat New York (Verenigde Staten van Amerika). Zowel volgens de inhoud van deze overeenkomst als volgens het daarop toepasselijk recht van de Staat New York komt, naar het Hof heeft vastgesteld, het stemrecht over gerechtelijke regelingen toe aan de beneficial holders en niet aan de trustee door wiens tussenkomst de obligaties zijn uitgegeven. De beneficial holders, die ook als economisch gerechtigden kunnen worden beschouwd en die in met de onderhavige surseance van betaling nauw samenhangende, zogenoemde "Chapter 11 procedure" voor het Bankruptcy Court in New York het aan de obligatieleningen ontleende stemrecht hebben uitgeoefend, moeten in dit geval uit een oogpunt van rechtvaardigheid en doelmatigheid op een lijn worden gesteld met de schuldeisers als bedoeld in de Nederlandse Faillissementswet en zij dienen dan ook de bevoegdheid te hebben te dezer zake het stemrecht uit te oefenen."8
Ten aanzien van het vaststellen van een voting record date overweegt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.8.5:
"De regeling in de Nederlandse Faillissementswet betreffende de beraadslaging en stemming over het akkoord staat niet eraan in de weg dat, zoals in het onderhavige geval is gebeurd, op praktische gronden een datum wordt aangewezen waarop degene die aan de beraadslaging en stemming wil deelnemen, als schuldeiser wordt geregistreerd met als beoogd gevolg dat alleen degene die als zodanig op deze datum is geregistreerd, aan de beraadslaging en stemming zal mogen deelnemen, mits tussen de datum van de registratie en de datum van de stemming een niet te groot tijdsverloop bestaat."
De Hoge Raad geeft voorts in zijn arrest aan dat de beslissing van de rechtbank is gebaseerd op art. 225 lid 1 Fw. Deze bepaling geeft de rechtbank de bevoegdheid zodanige bepalingen te maken die zij nodig acht ter beveiliging van de belangen van de schuldeisers. Door de beslissing van de rechtbank aan te merken als een beslissing in de zin van art. 225 lid 1 Fw, wordt door de Hoge Raad een wettelijke grondslag gegeven aan de stern-procedure van art. 268 Fw zoals deze in het onderhavige geval is uitgevoerd. Tegen deze beslissing staat ingevolge art. 282 Fw geen hogere voorziening open.9
Van Hees vraagt zich af of voornoemde beslissingen wel moeten worden overgelaten aan het oordeel van de rechtbank.10 Zijns inziens zou de wet in ten minste een minimaal kader moeten voorzien of in een specifiek geval, zoals de onderhavige, een afwijking van de wettelijke uitgangspunten is gerechtvaardigd. Ik denk dat een kader dat aangeeft wanneer een afwijking van het wettelijk systeem te rechtvaardigen is, moeilijk te geven is, juist omdat het alleen de bijzondere gevallen zal betreffen. Door de beslissing hierover in het concrete geval over te laten aan de rechtbank in het kader van art. 225 Fw, wordt door de Hoge Raad juist aangesloten bij ons wettelijk systeem. In de bijzondere gevallen is het aan het oordeel van de rechter - rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van het betreffende geval - of een uitzondering op het wettelijk systeem kan en mag worden gemaakt. Met art. 225 Fw wordt derhalve een doelmatige afwikkeling van de surseance bevorderd. Opgemerkt dient evenwel te worden dat de faillissementsregeling ten onrechte geen complement van art. 225 Fw kent. Het voorontwerp Insolventiewet heeft in art. 2.2.10 een met art. 225 Fw te vergelijken regeling opgenomen, zij het dat de eerste een meer algemene strekking kent en tegen de beslissingen op grond van art. 2.2.10 terecht wel rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.11