Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/5.2.2.1
5.2.2.1 De hoogte van de kapitaalcriteria; van waar komen we?
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649910:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Synthesis Of The Comments On The Consultation Document Of The Services Of The Internal Market Directorate-General: “Fostering An Appropriate Regime For Shareholders’ Rights”, 2005, p. 11.
Synthesis Of The Comments On The Consultation Document Of The Services Of The Internal Market Directorate-General: “Fostering An Appropriate Regime For Shareholders’ Rights”, 2005, p. 11.
Report Of The High Level Group Of Company Law Experts On A Modern Regulatory Framework For Company Law In Europe, 2002, p. 52.
Commissie Corporate Governance 1997, p. 36.
Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 12. Honée ziet hierin een rechtvaardiging om, vanuit het perspectief van de vennootschap gezien, aandeelhouders met agenderingsrecht anders te behandelen dan aandeelhouders zonder agenderingsrecht. Meer specifiek neemt hij het standpunt in dat art. 2:92 BW (het beginsel van gelijkheid van aandeelhouders) zich niet verzet tegen een-op-een-gesprekken tussen de vennootschap en de agenderingsgerechtigde aandeelhouder. Zie Honée 2007, p. 13-29. Dit standpunt lijkt mij juist. Aandeelhouders met agenderingsrecht bevinden zich immers in andere (dus niet gelijke) omstandigheden als aandeelhouders zonder agenderingsrecht.
Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 11.
Stcrt. 2004, 250.
Monitoring Commissie 2007, p. 20.
Monitoring Commissie 2007, p. 17-18.
Overigens is op 23 mei 2019 een conceptvoorstel Wet uitbreiding meldplichten aandeelhouders gepubliceerd ter consultatie. Voorgesteld wordt om een aanvullende meldingsdrempel van 2% in te voeren. De meldingsdrempel van 3% blijft bestaan “in verband met het agenderingsrecht uit artikel 2:114a van het Burgerlijk Wetboek”.
Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet giraal effectenverkeer en het Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code van 30 mei 2007 (Stb. 2012, 588).
Kamerstukken II 2007/08, 31 083, nr. 1 (Brief Minister van Financiën), p. 7 en Kamerstukken II 2008/09, 32 014, nr. 3 (MvT), p. 23.
Zie in dit verband Asser/Kroeze 2-I 2021, nr. 181 t/m nr. 183 met verdere verwijzingen.
Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag), p. 14.
Keijzer 2020, p. 525.
Niet iedere kapitaalverschaffer heeft op basis van de wet het agenderingsrecht. Er gelden kapitaalcriteria waaraan kapitaalverschaffers moeten voldoen alvorens zij het recht hebben om onderwerpen voor de agenda aan te dragen. De kapitaalcriteria verschillen bij de NV en de BV, met dien verstande dat voor de BV waarvan (certificaten van) aandelen zijn genoteerd aan een gereglementeerde markt dezelfde kapitaaldrempel geldt als voor de NV. Op deze BV’s is immers niet art. 2:224a BW, maar art. 2:114a BW via de schakelbepaling van art. 2:187 BW van toepassing. Bij alle NV’s en de BV’s met een notering aan een gereglementeerde markt komt het agenderingsrecht op grond van de wet thans toe aan kapitaalverschaffers die alleen of gezamenlijk tenminste 3% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen.
Voor BV’s zonder notering of met een notering aan een ander systeem dan een gereglementeerde markt, is de wettelijke bovengrens op 1% gesteld. Aanvankelijk gold ook bij de NV een kapitaalcriterium van 1%. In de loop der jaren werd bij de NV waarvan (certificaten van) aandelen genoteerd zijn – (mede) onder invloed van (vermeend) toenemend aandeelhoudersactivisme – een ophoging naar 3% nodig geacht. Als aandeelhoudersactivisme een belangrijke reden voor de ophoging van de kapitaaldrempel is geweest, valt niet goed te begrijpen waarom (i) de drempel ook is opgehoogd voor NV’s waarvan geen (certificaten van) aandelen genoteerd zijn, en (ii) thans voor BV’s waarvan (certificaten van) aandelen genoteerd zijn aan een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem, multilaterale handelsfaciliteit of een met een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem niet de hogere kapitaaldrempel van tenminste 3% geldt. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat bij BV’s aandeelhoudersactivisme beperkt is dan wel zal zijn tot de BV’s met een notering aan een gereglementeerde markt.
Sinds de implementatie van de Aandeelhoudersrichtlijn mag de kapitaaldrempel voor vennootschappen met een notering aan een gereglementeerde markt niet hoger worden gesteld dan op 5% van het aandelenkapitaal.1 De Nederlandse wetgever heeft vastgehouden aan 3%.
Op Europees niveau is voor een maximale drempel van 5% gekozen omdat na de eerste door de Europese Commissie uitgezette consultatieronde met betrekking tot het voorstel voor de Aandeelhoudersrichtlijn, onder de respondenten sprake was van “a prevalent trend in favour of a 5% treshold”.2 Ook vond “een niet-verwaarloosbare minderheid van de respondenten” dat de maximale drempel voor toekenning van het agenderingsrecht zou moeten corresponderen met de drempel die de Overnamerichtlijn stelt voor het uitstotingsrecht.3 De gedachtegang die hierachter schuil gaat is dat in het kader van de bescherming van minderheidsaandeelhouders de minderheid groter dan de maximale ‘squeeze-out minderheid’ het agenderingsrecht dient te hebben.4 Art. 15 lid 2 Overnamerichtlijn maakt het voor lidstaten mogelijk de drempel voor het uitstotingsrecht te stellen op maximaal 95% van het kapitaal. Een maximale drempel van 5% van het kapitaal voor het agenderingsrecht correspondeert hiermee.
In 1997 deed de Commissie Peters de aanbeveling om het agenderingsrecht bij de beursgenoteerde NV toe te kennen aan de aandeelhouder die alleen of samen met anderen ofwel minimaal 1% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigt, ofwel houder is van een aandelenbelang met een beurswaarde van minimaal ƒ 500.000,--.5 Het eerste criterium werd door de wetgever (voor alle NV’s) overgenomen, het tweede niet. De reden dat het beurswaardecriterium van de Commissie Peters niet werd overgenomen is dat het door veel vennootschappen als ‘te laag’ werd bestempeld (par. 4.2.3.1). Als alternatief kregen aandeelhouders in een beursgenoteerde NV onder de wettelijke regeling van 2004 ook het agenderingsrecht indien het aandelenbelang een beurswaarde van minimaal € 50.000.000,-- vertegenwoordigt. Van regeringszijde werd hierover opgemerkt dat door het investeren van een dergelijk bedrag een aandeelhouder een zekere verbondenheid met de vennootschap heeft, hoe groot of hoe klein het corresponderende percentage van het aandelenkapitaal ook is.6 Wanneer een aandeelhouder alleen of met anderen voldoet aan een van de gestelde kapitaalcriteria, vertegenwoordigt hij een zodanig belang in de vennootschap, dat een inbreuk op de autonomie van het bestuur en de rvc om de agenda van een algemene vergadering te bepalen, gerechtvaardigd is.7
Naast dat in 2004 art. 2:114a/224a BW in werking trad, werd ook het rapport van de Commissie Peters in dit jaar vervangen door de Code Tabaksblat, de eerste versie van de NCGC.8 In 2007 evalueerde de Commissie Frijns (de werking van) de Code Tabaksblat, en in bredere zin de verhouding tussen de beursgenoteerde vennootschap en haar aandeelhouders. In het advies van de Commissie Frijns aan de wetgever staat onder meer te lezen dat de Monitoring Commissie aanbeveelt om in overweging te nemen om met betrekking tot het agenderingsrecht internationaal aansluiting te zoeken en de drempel te verhogen tot 3%. Het alternatieve criterium van 50 miljoen euro kan daarbij vervallen.9 Tegelijkertijd beval de Commissie Frijns aan om de ondergrens die op grond van de Wft geldt voor de melding van een substantiële deelneming te verlagen van 5% tot 3%.10 Aan deze aanbeveling lag onder meer eveneens het argument om meer internationale aansluiting te zoeken ten grondslag.11
De wetgever nam de aanbevelingen van de Commissie Frijns over. In 2013 werd in art. 2:114a BW het kapitaalcriterium opgehoogd tot 3% onder gelijktijdige verlaging van de meldingsgrens voor een substantiële deelneming naar hetzelfde percentage.12 Het beurswaardecriterium kwam te vervallen.13 De wetgever noemt behalve het zoeken van internationale aansluiting nog twee andere argumenten voor de wetswijziging. Ten eerste lijkt de opkomst van activistische aandeelhouders een grote rol te spelen. De gedachtegang is kennelijk dat het niet gerechtvaardigd is wanneer een aandeelhouder met 1% van de aandelen een groot stempel op de aandeelhoudersvergadering kan drukken, maar dat dit minder een probleem is in het geval van een 3%-aandeelhouder. Ook zou door het percentage in art. 2:114a BW gelijk te stellen met de meldingsgrens voor een substantiële deelneming meer transparantie worden bereikt. Beursvennootschappen zouden voortaan immers weten wie gebruik kan maken van het agenderingsrecht, aldus de minister.14 Ik merk op dat dit slechts ten dele waar is. Het agenderingsrecht kan immers ook worden uitgeoefend door een groep aandeelhouders die enkel tezamen de 3%-drempel haalt. Op geen van hen rust een meldingsplicht, maar zij hebben samen wel het agenderingsrecht.
Bij het bepalen of de verzoeker alleen of samen met anderen tenminste 3% respectievelijk 1% van het geplaatste kapitaal verschaft, worden niet meegerekend de aandelen waarvan de wet bepaalt dat daarvoor geen stem kan worden uitgebracht (art. 2:24d lid 1 BW). Een voorbeeld van een aandeel waarvan de wet bepaalt dat er geen stem voor kan worden uitgebracht is het aandeel dat de vennootschap of een dochtermaatschappij houdt of doet houden (zie art. 2:118 lid 7/228 lid 6 BW). De vruchtgebruiker of pandhouder van een dergelijk aandeel heeft het stemrecht evenmin, tenzij het vruchtgebruik of pandrecht was gevestigd voordat het aandeel toebehoorde aan de vennootschap of een dochtermaatschappij daarvan. In het laatste geval wordt het aandeel wel meegerekend. Op grond van art. 2:24d lid 2 BW tellen bij de BV stemrechtloze aandelen als bedoeld in art. 2:228 lid 5 BW mee bij de berekening of het kapitaalcriterium uit art. 2:224a BW wordt gehaald. In art. 2:24d lid 2 BW wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat op de BV niet art. 2:224a BW van toepassing is, maar art. 2:114a BW (zie art. 2:187 BW). Naar de letter van de wet is het thans dus zo dat bij de BV met een notering aan een gereglementeerde markt stemrechtloze aandelen niet meetellen bij de berekening of het kapitaalcriterium wordt gehaald (omdat hiervoor art. 2:114a BW geldt), maar bij de BV met een notering aan een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem, een multilaterale handelsfaciliteit of een met een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem wel (omdat hiervoor art. 2:224a BW geldt). Ik zie geen rechtvaardiging voor dit onderscheid en dus moet naar mijn mening worden aangenomen dat ook bij de BV waarop art. 2:114a BW in plaats van art. 2:224a BW van toepassing is, stemrechtloze aandelen meetellen bij de berekening of het kapitaalcriterium wordt gehaald.
Overigens mag er mijns inziens bij de BV niet standaard vanuit worden gegaan dat stemrechtloze aandelen ook meetellen bij de berekening of het kapitaalcriterium van een statutair agenderingsrecht wordt gehaald. Of dat zo is, is afhankelijk van de uitleg die aan het in de statuten toegekende agenderingsrecht gegeven moet worden.15 Als in de statuten echter geen statutair agenderingsrecht gecreëerd is, maar enkel het vereiste gedeelte van het kapitaal voor de uitoefening van het wettelijke agenderingsrecht lager is gesteld (zie art. 2:114a lid 1/224a lid 1 BW en par. 5.2.2.2), geldt (vanzelfsprekend) wel dat stemrechtloze aandelen bij de berekening meetellen.
Het aandeel waaraan als gevolg van een pandrecht of een recht van vruchtgebruik geen stemrecht is verbonden valt niet onder het toepassingsbereik van art. 2:24d lid 1 BW, en telt dus wel mee bij de berekening of het kapitaalcriterium is gehaald. De wet zegt immers niet dat voor dit aandeel geen stem kan worden uitgebracht. Zij zegt slechts dat het de pandhouder respecteivelijk vruchtgebruiker is die de stem voor het aandeel mag uitbrengen (zie art. 2:88 en 2:89 lid 3 (BV)/197 en 198 lid 3 (NV) BW). Het (dwingendrechtelijke) agenderingsrecht van de aandeelhouder die als gevolg van verpanding of de vestiging van een recht van vruchtgebruik geen stemrecht heeft (zie par. 3.3.4.8), zou bovendien een wassen neus zijn als zijn aandelen niet meetellen voor het benodigde kapitaalcriterium. Ook blijkt uit de parlementaire behandeling van de Wet Flex-BV dat art. 2:24d lid 1 BW zich uitsluitend uitstrekt tot aandelen waaraan absoluut geen stemrecht is verbonden.16 Daarvan is bij verpanding respectievelijk de vestiging van vruchtgebruik met overgang van stemrecht geen sprake. Als bijvoorbeeld de vordering waarvoor het verpande aandeel tot zekerheid strekt wordt voldaan, valt het stemrecht terug naar de aandeelhouder.
In zijn proefschrift pleit Keijzer voor de invoering van stemrechtloze aandelen in het NV-recht. In dat verband schrijft hij dat hoewel het BV-recht het agenderingsrecht (en convocatierecht) toekent aan houders van stemrechtloze aandelen, een dergelijke regeling niet past bij open, beursgenoteerde vennootschappen.17 Als de wetgever in het voorstel van Keijzer meegaat, verdient het aanbeveling om op dit punt ook het BV-recht ten aanzien van beursBV’s aan te passen. Overigens vraag ik mij af of het een goed idee is om in de wet te bepalen dat houders van stemrechtloze aandelen in een beursvennootschap geen agenderingsrecht hebben. Deze aandeelhouders kunnen er misschien wel juist omdat zij nergens over kunnen stemmen heel wel belang bij hebben dat zij onderwerpen kunnen aandragen opdat daar ter vergadering over gediscussieerd kan worden.
De wet drukt het kapitaalcriterium uit in een percentage van het geplaatste kapitaal. Bij het bepalen of het percentage gehaald wordt, dient de hoogte van het geplaatste kapitaal zoals dat blijkt uit het handelsregister op het moment van ontvangst van het agenderingsverzoek als berekeningsgrondslag. Zie over het moment van ontvangst par. 5.2.2.3.
Een aandeelhouder hoeft – als gezegd – niet zelfstandig het voor het doen van een agenderingsverzoek vereiste kapitaal te verschaffen. Hij mag dat samen met andere aandeelhouders, certificaathouders, pandhouders en vruchtgebruikers doen. In dat geval spelen vragen omtrent dubbeltelling. Zie daarover par. 5.2.2.5.