Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.7.2.2.2:9.7.2.2.2 De Winter: Vorming tot democratische gemeenschapszin
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.7.2.2.2
9.7.2.2.2 De Winter: Vorming tot democratische gemeenschapszin
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977026:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het binnenhalen van de samenleving op school gebeurt inmiddels met buurt-of wijkvertegenwoordigers en met het introduceren van gastsprekers: op de ene school komt de burgemeester langs, op de andere een kantonrechter of de wijkagent. Net als De Winter acht ik deze externe invloeden voor de sociale opvoeding essentieel. Leerlingen kunnen ervaren hoe ze zich in een plurale samenleving moeten gedragen en hoe ze hierin moeten participeren. Vorming tot democratisch burger moet ingevuld worden door abstracte theorie en concrete praktijk.1 Volgens De Winter moet de school vermaatschappelijken en dient zij als maatschappelijke oefenruimte.2 Het is noodzaak om leerlingen, in de bewoordingen van De Winter, ‘het sociale gevoel en de blik op de ander te leren ontwikkelen. En daarbij is de kennis alleen van democratie en rechtsstaat onvoldoende’.
Ten aanzien van de socialisatie is vooral de attitudevorming van belang. De Winter stelt hierover: ‘Het beste opvoedingsmilieu op school is te creëren door met respect met elkaar om te gaan, besluiten te nemen op democratische wijze en open te staan voor het debat als drager van de democratische richting’. Daarnaast bepleit hij het vergroten van de betrokkenheid van ouders en instanties bij de school en het onderwijs in het vergaren van kennis en het oefenen met sociale situaties.3 Net als de hiervoor genoemde hedendaagse pedagogen zie ik de school als een belangrijke liaison tussen het gezin en de plurale samenleving. Deze liaison dient de maatschappelijke participatie te stimuleren, maar niet te verplichten. Er is naar mijn mening een sterke legitimatie voor deze vorm van burgerschapsvorming, immers: ‘non scholae, sed vitae discimus’ (Niet voor de school, maar voor het leven leren wij) luidden Seneca's woorden al.4