Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.4.3
4.4.3 De opzegvergoeding
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855337:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, 3, p. 34 en 38; Kamerstukken II 2018/19, 35 074, 3, p. 53.
Niet voor niets wordt ook wel gesproken over de ‘additionele billijke vergoeding’ (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, 3, p. 34, 41, 81, 83, 92, 108, 113 en 120). Dat deze vergoeding alleen in uitzonderlijke gevallen moet worden toegekend, blijkt o.a. uit Kamerstukken II 2013/14, 33 818, 3, p. 33, 34, 108 en 113.
De grondslag zal in dit geval veelal niet bestaan uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW), maar uit de onrechtmatige daad van de opdrachtgever (art. 6:162 BW).
Hierbij kan worden gedacht aan laakbaar gedrag van de werkgever, waardoor een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan die uiteindelijk tot het ontslag heeft geleid (zie voor meer voorbeelden Kamerstukken II 2013/14, 33 818, 3, p. 34).
Het huurrecht biedt de huurder van een woon- en bedrijfsruimte verder alleen in bijzondere gevallen een vergoeding bij de opzegging door de verhuurder, bijv. als de wil om het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen, wat een grond voor opzegging vormt, in werkelijkheid niet aanwezig blijkt te zijn geweest (art. 7:276 lid 1 en 3 resp. art. 7:299 lid 1 en 3 BW). Nu de opdrachtgever in beginsel geen grond dient te hebben om de overeenkomst van opdracht op te kunnen zeggen (art. 7:408 lid 1 BW), kan hier geen parallel worden getrokken.
Kamerstukken II 1988/89, 20 842, 3, p. 8. Hierbij valt te denken aan het geval waarin de handelsagent de principaal klanten heeft aangebracht of hij overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid, waarbij deze handelingen de principaal na het einde van de overeenkomst nog aanzienlijke voordelen oplevert en waarbij het betalen van een vergoeding, gelet op alle omstandigheden, billijk is (HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9865 (T-Mobile/Klomp)).
Kamerstukken II 1966/67, 8875, 3, p. 9. Hierbij moet worden gedacht aan de situatie dat in het pand een goed lopend bedrijf zat en de verhuurder het pand daardoor beter kan verhuren aan een huurder die er een soortgelijk bedrijf in wil vestigen, dan wel dat de verhuurder zelf een gelijksoortig bedrijf begint en hierbij voordeel geniet van bijv. geringe aanloopkosten, het vanaf het begin beschikken over een geregelde klantenkring en het kunnen voortbouwen op of uitbouwen van de reputatie en het vertrouwen van het bedrijf (HR 18 januari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6787 (Zeezicht I)).
De bescherming van de aanvullende (schade)vergoeding kan worden ontleend aan de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW) of de ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW). Zie min of meer ook Pitlo/Croes e.a. 1995, p. 238.
HR 21 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0291 (Mattel/Borka).
De opdrachtnemer komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking voor een ‘opzegvergoeding’, een zogenoemde aanvullende (schade)vergoeding (zie paragraaf 4.3.3.1). Verschillende bijzondere regelingen kennen in dit kader enkele uitzonderingen, zoals de transitievergoeding in het arbeidsrecht (artikel 7:673 BW) en de klantenvergoeding bij agentuur (artikel 7:442 BW). Hieronder licht ik – zonder volledigheid te beogen – beknopt toe waarom het naar mijn oordeel niet gerechtvaardigd is een van deze uitzonderingen analogisch toe te passen op de opdrachtnemer aan de onderkant. Kort gezegd komt het erop neer dat de opdrachtnemer al soortgelijke bescherming geniet of dat er een goede reden bestaat dat de opdrachtnemer deze bescherming mist.
De werknemer heeft bij de opzegging door de werkgever in beginsel recht op een wettelijke forfaitaire ontslagvergoeding, de zogenoemde transitievergoeding (artikel 7:673 lid 1 BW). Deze vergoeding is bedoeld ter compensatie van het ontslag van de werknemer én om de werknemer in staat te stellen de transitie naar een andere baan te vergemakkelijken.1 Deze dubbele doelstelling past niet bij de overeenkomst van opdracht, aangezien zowel de opzegging zelf als het vinden van nieuwe opdrachten onderdeel uitmaakt van het normale bedrijfsrisico van de opdrachtnemer. Verwijtbaarheid aan de zijde van de werkgever speelt overigens voor het recht op de transitievergoeding geen rol. Wel kan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever leiden tot een compensatie voor dat gedrag in de vorm van een billijke vergoeding,2 die in uitzonderlijke gevallen naast de transitievergoeding kan bestaan en in zoverre lijkt op de aanvullende (schade)vergoeding (zie paragraaf 4.3.3.1).3 Zo’n billijke vergoeding wordt met betrekking tot de overeenkomst van opdracht om twee redenen niet gemist. In de eerste plaats kan de aanvullende (schade)vergoeding de opdrachtnemer al dergelijke bescherming bieden.4 In de tweede plaats zijn de omstandigheden die kunnen leiden tot een billijke vergoeding zodanig verbonden met het ontslagstelsel dat een analoge toepassing onlogisch voorkomt.5
De regelingen inzake de agentuurovereenkomst en huur van een bedrijfsruimte kennen beide als het ware ‘goodwillvergoedingen’ (artikel 7:442 lid 1 respectievelijk artikel 7:308 lid 1 BW).6 De handelsagent kan aanspraak maken op een vergoeding voor het voordeel dat de principaal na het einde van de overeenkomst nog heeft van de door de handelsagent verrichte werkzaamheden (artikel 7:442 lid 1 BW),7 terwijl de huurder van een bedrijfsruimte recht heeft op een vergoeding indien de verhuurder bij het einde van de huur een bepaald voordeel geniet (artikel 7:308 lid 1 BW).8 Zo’n vergoeding past niet bij het huidige stelsel, waarin de opdrachtnemer via een opzegtermijn de tijd wordt geboden zich aan te passen aan de nieuwe situatie die na de beëindiging van de overeenkomst zal intreden (zie paragraaf 4.3.2.1), eventueel aangevuld met een (schade)vergoeding voor bijvoorbeeld de gerechtvaardigd gedane investeringen die nog niet (kunnen) zijn terugverdiend (zie paragraaf 4.3.3.1).9 In dit stelsel is het aanknopingspunt de positie van de opdrachtnemer aan de onderkant en – in mijn voorbeeld – de door hem gedane investeringen. Bij een goodwillvergoeding zou vanuit de tegenovergestelde positie worden gekeken: het profijt dat de opdrachtgever heeft van die investeringen. Als beide stelsels naast elkaar worden gebruikt, dreigt het gevaar dat de opdrachtnemer mogelijk dubbel wordt gecompenseerd, iets wat de Hoge Raad juist heeft geprobeerd te vermijden door aan de aanvullende (schade)vergoeding de eis te stellen dat de opdrachtnemer door de opzegtermijn niet al voldoende is gecompenseerd (zie paragraaf 4.3.3.1).10
De regeling inzake aanneming van werk kent geen aanvullende (schade)vergoeding, maar beschermt de aannemer die een (vaste) aanneemsom is overeengekomen door te bepalen dat de aannemer door de opzegging van de opdrachtgever niet in een slechtere financiële positie mag worden gebracht (artikel 7:764 lid 2 BW).11 Dit systeem ligt niet voor de hand ten aanzien van de duurovereenkomst van opdracht (zie paragraaf 4.4.2).