Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.4.2
4.4.2 De opzegtermijn
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855315:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Als dit ontbreken wordt vergeleken met de regelingen die dit wel bieden, is een mogelijke verklaring hiervoor dat de arbeidsovereenkomst, de agentuurovereenkomst en de huurovereenkomst met elkaar gemeen hebben dat zij steevast duurovereenkomsten zijn, terwijl de overeenkomst van opdracht zowel een duurovereenkomst als een voorbijgaande overeenkomst kan zijn.
T.a.v. de onbenoemde overeenkomst is ook wel gepleit voor het hanteren van vuistregels (Barendrecht & Van Peursem 1997, p. 154-156; Brink-Van der Meer & Van der Vegt, Contracteren 2007/4.3; De Hoon, NJB 2010/1062). In het kader van de duurovereenkomst van opdracht ben ik meer voorstander van een wettelijke verankering van de opzegtermijn dan van het hanteren van vuistregels, aangezien een vuistregel is gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid en geen nadere fundering heeft (Van de Paverd 1999, p. 109), m.a.w.: een vuistregel geeft enige rechtszekerheid, maar biedt weinig houvast, terwijl beide partijen daar in dit geval juist bij zijn gebaat.
De wet reguleert op verschillende plekken een opzegtermijn. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de regelingen inzake de arbeidsovereenkomst (artikel 7:672 lid 2 en 4 BW), de agentuurovereenkomst (artikel 7:437 lid 1-2 BW) en de huur van een woon- (artikel 7:271 lid 5 sub a-b BW) en bedrijfsruimte (artikel 7:293 lid 2 BW). Bij de aannemingsovereenkomst wordt deze bescherming op een andere manier geboden. In de situatie dat de opdrachtgever en aannemer een (vaste) aanneemsom hebben afgesproken, mag de opdrachtgever de aannemer door de opzegging niet in een slechtere financiële positie brengen;1 de opdrachtgever is verplicht de prijs voor het gehele werk, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien, te betalen, mits de aannemer het al voltooide werk (feitelijk en – eventueel – juridisch) aflevert (artikel 7:764 lid 2 BW). Deze compensatiewijze ligt ten aanzien van de opdrachtnemer aan de onderkant niet voor de hand, al is het maar omdat deze opdrachtnemer zelden een totale loonsom met de opdrachtgever is overeengekomen.2
De afdeling inzake de opdracht schrijft geen opzegtermijn voor (zie paragraaf 4.2.2).3 Uit mijn rechtspraakonderzoek blijkt echter dat bij de opzegging van een duurovereenkomst van opdracht, in beginsel een opzegtermijn in acht moet worden genomen (zie paragraaf 4.3.2.1). Ook in de rechtsliteratuur lijkt dit uitgangspunt te zijn omarmd (zie paragraaf 4.3.2.1). Vanwege de redelijkheid en billijkheid als grondslag van de opzegtermijn (artikel 6:248 lid 1 BW) vertoont de onderzochte rechtspraak een grote verscheidenheid aan wat kwalificeert als redelijke termijn (zie paragraaf 4.3.2.1). Deze verscheidenheid brengt rechtsonzekerheid mee. Een wettelijke verankering van de opzegtermijn bij een duurovereenkomst van opdracht zou die onzekerheid kunnen wegnemen en de rechtspositie van de opdrachtnemer op dit gebied inzichtelijker maken. De opzegtermijn en lengte daarvan vloeien dan immers (in beginsel) voort uit de wet, waardoor deze aanspraak minder afhankelijk wordt van de omstandigheden van het geval en er duidelijkheid ontstaat over de datum waarop de overeenkomst eindigt.4
In deze paragraaf concentreer ik mij uitsluitend op de lengte van de opzegtermijn. Daarbij zoek ik naar algemeen geldende aanknopingspunten die van belang kunnen zijn voor de overeenkomst van opdracht. Deze analyse is niet alleen zinvol voor het geval dat een opzegtermijn in de wet wordt verankerd (paragraaf 4.4.2.1), maar kan mogelijk ook leiden tot analoge toepassingen (paragraaf 4.4.2.2).
4.4.2.1 De verhouding tussen de lengte van de opzegtermijn en de looptijd van de overeenkomst4.4.2.2 De analoge toepassing van de wettelijke opzegtermijnen