Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.5.5
4.2.5.5 'De nodige maatregelen om'
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS393661:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent ook Eijlander & Voerman 1999, p. 125.
Zie ook Den Ouden 2008, p. 23.
Vergelijk het arrest HvJEG 10 april 2003, C-276/01 (Stejfensen), Jur. 2003, p. 1-3735, r.o. 41-46 waarin het ging om artikel 7, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn nr. 397/89 waarin was bepaald dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen opdat de betrokkenen eventueel een tegenexpertise kunnen laten uitvoeren. Ondanks het gebruik van de woorden 'de nodige maatregelen' komt het Hof tot de condusie dat uit de enkele bewoordingen van deze bepaling voortvloeit dat elke lidstaat verplicht is de betrokken onderneming het recht op een tegenexpertise te verlenen. In samenhang met de considerans van de richtlijn komt het Hof tot de conclusie dat voormelde bepaling in een onvoorwaardelijk recht op een tegenexpertise voorziet. Volgens het Hof wordt hieraan niet afgedaan door de omstandigheid dat in artikel 7, eerste lid, tweede alinea wordt gesproken van 'de nodige maatregelen'. Volgens het Hof moeten de lidstaten voor de tenuitvoerlegging van deze verplichting weliswaar nadere regels voor de uitoefening van dit recht vaststellen, maar deze regels moeten in elk geval de volledige uitvoering van de richtlijn verzekeren en dus in het onderhavige geval het recht op een tegenexpertise waarborgen. Anders dan bij artikel 23 van de Coördinatieverordening gaat het om een bepaling die rechten toekent aan particulieren. Dit is m.i. een cruciaal verschil.
HvJEG 13 maart 2008, gevoegde zaken C-383/06-C-385/06 (ESF-arrest), Jur. 2008, p. 1-1561, AB 2008, 207, m.nt. W. den Ouden, JB 2008/104, m.nt. AJB, NJ 2008, 349, m.nt. M.R. Mok, SEW 2010, p. 163-167, m.nt. M.J.M. Verhoeven en R.J.G.M. Widdershoven, r.o. 59. Zie hieromtrent ook Ortlep 2011, p. 377; Ortlep 2009, p. 96 en 97. Op dit arrest wordt later in dit hoofdstuk (paragraaf 42.10) en hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.8.4 e.v. nog uitgebreid ingegaan.
HvJEG 11 juli 1973, 3/73 (Hessische Mehlindustrie), Jur. 1973, p. 745; HvJEG 6 mei 1982, gevoegde zaken 146/81, 192/81 en 193/81 (BayWa), Jur. 1981, p. 1503.
Bij denaturering gaat het om voor menselijke consumptie ongeschikt maken van bepaalde stoffen.
HvJEG 11 juli 1973, 3/73 (Hessische Mehlindustrie), Jur. 1973, p. 745, r.o. 4; HvJEG 6 mei 1982, gevoegde zaken 146/81, 192/81 en 193/81 (BayWa), Jur. 1981, p. 1503, r.o. 20-22.
HvJEG 11 juli 1973, 3/73 (Hessische Mehlindustrie), Jur. 1973, p. 745, r.o. 6.
HvJEG 21 juni 2007, C/158-06 (Stichting ROM), Jur. 2007, p. 1-5103, AB 2007, 239, m.nt. H. Griffioen en W. den Ouden.
In artikel 2 van de Commissieverordening nr. 448/2001 was vervolgens neergelegd dat wanneer een lidstaat de bijdrage van de Gemeenschap geheel of gedeeltelijk intrekt, hij rekening moet houden met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het financiële verlies voor de fondsen.
Het komt voor dat een bepaling uit een Europese subsidieverordening niet expliciet aangeeft of ter uitvoering daarvan nationaal recht moet worden vastgesteld of toegepast, maar dit wel uit de desbetreffende bepaling kan worden afgeleid. Hiervan is sprake indien in een bepaling expliciet is neergelegd dat de lidstaat de middelen mag kiezen om aan een verplichting of bevoegdheid uit een Europese verordening uitvoering te geven. In dat geval is de lidstaat verplicht door middel van nationaal recht aan deze verplichtingen en bevoegdheden uitvoering te geven, maar is niet duidelijk hoe dat precies zal gebeuren.1 Een voorbeeld biedt artikel 23 van de Coördinatieverordening waarin is bepaald dat de lidstaten, teneinde de acties van de particuliere of publiekrechtelijke projectontwikkelaars te doen slagen, de nodige maatregelen dienen te nemen om regelmatig te verifiëren dat de door de Gemeenschap gefinancierde maatregelen stipt zijn uitgevoerd, onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen en door misbruik of nalatigheid verloren middelen te recupereren. Uit deze bepaling blijkt dat er geen gemeenschappelijke Europese regels bestaan omtrent controles en terugvordering. De lidstaten dienen 'de nodige maatregelen' te nemen. Deze zinsnede lijkt erop te duiden dat de bepaling niet rechtstreeks toepasselijk is. De lidstaten hebben immers een beoordelingsmarge wat betreft de vraag op welke wijze aan de voormelde verplichtingen kan worden voldaan, nu niet wordt voorgeschreven wat de 'nodige maatregelen' precies inhouden.2 Deze beoordelingsmarge geldt echter niet ten aanzien van de verplichting tot terugvordering. In zoverre zou de bepaling wel rechtstreeks toepasselijk kunnen zijn, alhoewel daarbij in het oog moet worden gehouden dat het gaat om een bepaling die ten nadele van de particulier zal worden ingeroepen.3 Het Hof van Justitie lijkt in het EsF-arrest in elk geval te concluderen dat de terugvordering van Europese subsidies geschiedt volgens de modaliteiten van het nationale recht.4 Dit betekent dat artikel 23 van de Coördinatieverordening niet rechtstreeks toepasselijk is.
Dat de lidstaat de middelen mag kiezen om aan een verplichting of bevoegdheid uit een Europese verordening uitvoering te geven, kan ook impliciet uit een bepaling blijken. Voorbeelden van arresten waarin het Hof van Justitie oordeelde dat de aan de orde zijnde Europese subsidieverordening geen gemeenschappelijke regels inzake controles bevatte, zijn de arresten Hessische Mehlindustrie en BayWa.5In deze arresten ging het om artikel 4, derde lid, van de Commissieverordening nr. 1403/69 waarin was bepaald dat de verlening van de denatureringspremie afhankelijk wordt gesteld van de uitoefening van controle door het interventiebureau op de denaturering6 van de zachte tarwe of door bijmenging ervan als zodanig in mengvoeders. Het Hof van Justitie overweegt dat dit voorschrift wel aangeeft dat er controles moeten worden uitgeoefend, maar niet hoe en volgens welke methode.7 Volgens het Hof heeft de Europese wetgever gemeend de controleprocedure niet gedetailleerd te moeten regelen en de lidstaten de vrijheid gelaten op eigen verantwoordelijkheid een op hun rechtsorde afgestemde controleregeling uit te werken.8 Uit deze bepaling blijkt impliciet dat de lidstaten de middelen mogen kiezen om aan de verplichting tot controle neergelegd in een Europese verordening uitvoering te geven.
Het Hof van Justitie heeft in het arrest Stichting ROM ook ten aanzien van artikel 38, eerste lid, onder h, en artikel 39, eerste lid, van de Verordening 1260/99, de opvolger van artikel 23 van de Coërdinatieverordening, impliciet geoordeeld dat er geen sprake is van een gemeenschappelijke Europese regel omtrent terugvordering.9 Ingevolge artikel 38, eerste lid, onder h, vorderen de lidstaten de middelen terug die ten gevolge van geconstateerde onregelmatigheden verloren zijn gegaan. Op grond van artikel 39, eerste lid, tweede alinea, van voormelde Verordening nr. 1260/99, verricht de lidstaat de financiële correcties die in verband met de eenmalige of systematische onregelmatigheid geboden zijn en behelzen deze correcties een gehele of gedeeltelijke intrekking van de communautaire bijdrage.10 In het arrest Stichting ROM ging het om een communautair initiatief waarop deze bepalingen van toepassing waren. In r.o. 23 oordeelt het Hof van Justitie dat geschillen wat betreft de terugvordering van ten onrechte uit hoofde van het gemeenschapsrecht betaalde bedragen bij het ontbreken van communautaire voorschriften door de nationale rechter worden beslist, overeenkomstig het nationale recht. Opvallend is dat in het arrest de rechtstreekse toepasselijkheid van voormelde artikelen van de Verordening nr. 1260/99 niet expliciet aan de orde komt.